In het prachtige aforisme 276 waarmee Nietzsche het vierde boek van de
Vrolijke Wetenschap opent, verklaart hij plechtig dat Amor Fati, de liefde tot het lot, de liefde tot het leven, zijn enige
streefdoel zal zijn. Hij schrijft: “Ik wil steeds meer leren, het noodzakelijke
aan de dingen als het schone te beschouwen: - zo zal ik een van diegenen zijn
die de dingen schoonheid verlenen. Amor Fati: dat zal van nu af aan mijn liefde
zijn! Ik wil geen oorlog voeren tegen al wat lelijk is. Ik wil niet aanklagen,
ik wil niet eens de aanklagers aanklagen” (p. 163).
Door aan de dingen schoonheid toe te dichten, zullen ze ook schoonheid
verkrijgen. Het klinkt mooi, maar het is niet evident. Nietzsche heeft dit zelf
meer dan eens ondervonden. Niet alleen werd hij geteisterd door ziekte, maar
leefde hij ook met de teleurstelling van niet gelezen te worden. In de periode
waarin hij de Vrolijke Wetenschap, maar ook de Zarathustra, schreef, werd
Nietzsche eveneens op zijn hart getrapt door Lou Salome, aan wie hij twee
huwelijksvoorstellen deed. Bovendien verliep de relatie met zijn zus Elisabeth
en zijn moeder Franziska stroef, om het eufemistisch uit te drukken. Met enige
moeite hervatte Nietzsche zijn correspondentie met het thuisfront in de vorm
van brieven over banale onderwerpen zoals sokken en worstjes en opende hij zijn
hart opnieuw voor Lou Salome. Beter enige vorm van relatie in stand houden dan alle
schepen verbranden. We lezen in voornoemd aforisme: “De blik afwenden zal mijn
enige ontkenning zijn! En, alles bij elkaar en in het groot: ooit wil ik nog
eens uitsluitend iemand zijn die ja zegt!” (p. 163).
Verderop in dezelfde Vrolijke Wetenschap maken we kennis met een demon die
je in het holst van de nacht confronteert met een pertinente vraag: zou je je
bestaan, zoals het was, is en zal zijn, een oneindig aantal keer opnieuw willen
beleven, op identiek dezelfde manier: “De eeuwige zandloper van het bestaan
wordt telkens weer omgedraaid – en jij ook, stofje van het stof!” (§341 op
p.201). Ziehier Nietzsches befaamde gedachte van de eeuwige terugkeer van
hetzelfde als het identieke, het criterium dat Nietzsche zal gebruiken om zijn
liefde tot het leven af te toetsen. Of zijn criterium het enige zaligmakende
criterium is, laat ik in het midden. Wat belangrijk is, is dat Nietzsche er
voor zichzelf diep van overtuigd is dat de gedachte van de eeuwige terugkeer de
weg naar de liefde voor het leven is.
Je kan je natuurlijk de vraag stellen of ‘ja’ antwoorden op de vraag van de
demon mogelijk is, altijd en overal en in alle mogelijke omstandigheden.
Terwijl ik dit schrijf, zindert een nieuwsbericht over een kind van zeven dat
verdronk in het Albertkanaal nog na. Wat een brute, niets ontziende wreedheid
van het bestaan. Wat een onmetelijk verdriet…Om enigszins ‘ja’ te kunnen antwoorden
probeert Nietzsche zijn leven om te gooien. Hij wil vanaf nu iemand zijn die ‘ja’
zegt. Om ‘ja’ te kunnen zeggen, zal hij geen oorlog voeren, geen conflict
oppoken. Hij wil geen banden meer doorsnijden, in tegendeel, hij wil ze
aanhalen, al zijn ze maar opgebouwd uit brieven over sokken en worstjes. Met
andere woorden, de filosoof met de hamer die fulmineert tegen het christendom,
probeert te de facto te ‘vergeven’.
Vergeving is een kerngedachte uit de joods-christelijke traditie, maar ook
uit de islam. Op de vraag hoe vaak je moet vergeven, antwoordt Jezus in het
evangelie van Matteüs: ““Neen, zeg Ik u, niet tot zevenmaal toe, maar
tot zeventigmaal zevenmaal” (Mt. 18,22). Ik wil in deze geen afbreuk doen aan
het atheïsme van Nietzsche, noch wil ik zijn woede tegenover het christendom temperen,
maar ik wil er wel op wijzen dat Nietzsche de religieuze gedachte van vergeving
erg belangrijk vindt, zo belangrijk, dat ze een voorwaarde is om ‘ja’ te kunnen
antwoorden op de vraag van de demon om het leven een oneindig aantal keren
opnieuw te willen beleven. En die ‘ja’ is de voorwaarde bij uitstek om het
leven lief te hebben.
Nietzsche roept hier niet op tot romantische liefde die de harde realiteit
van het leven miskent. Veeleer zoekt hij een manier om de harde kanten van het
leven te kunnen beleven. Vergeving laat toe dat mensen elkaar opnieuw kunnen
vinden, voorbij hun levensbeschouwelijke visie. Het is bekend dat Nietzsche
diep geraakt werd door de schoonheid van de christelijke monumenten en kunst,
maar dat hij weinig begrip kon opbrengen voor mensen die op hun knieën de treden
van een kerk opklommen. Het is ook merkwaardig dat diezelfde Nietzsche een
eerste kennismaking met Lou Salome plande in de Sint-Pieters basiliek van Rome.
Zijn kennismaking met Lou Salome zou een aanzet worden tot een triumviraat van
vrijdenkers waar hij samen met Paul Rée en Lou Salome deel van uit zou maken. Of
hoe vergeving een brug kan slaan tussen uiteenlopende levensbeschouwingen en
uiteindelijk kan helpen tot een weloverwogen liefde tot het leven.
Nietzsche, Friedrich, De Vrolijke Wetenschap, coll. Nietzsche bibliotheek,
2011