woensdag 29 juli 2026

Airco in woonzorgcentra: een reactie

Op de website van VRTNWS verscheen een artikel waarin Candice De Windt, CEO van het Vlaams Onafhankelijk Zorgnetwerk (Vlozo), de koepel voor private woonzorgcentra, pleit voor de verhoging van de dagprijs omwille van de noodzakelijke investeringen in woonzorgcentra nav de hitte. U kan het artikel lezen door hier te klikken. 

Hieronder vind je mijn reactie op dit artikel:


Private woonzorgcentra willen hogere dagprijs voor investeringen tegen hitte: "Airco is geen luxe meer"  VRTNWS dd. 29.07.2026

Waardig ouder worden, een evidentie zou ik zeggen, toch lijkt het vandaag meer en meer een holle slogan te worden. Mijn moeder woont nu reeds twee jaar in een woonzorgcentrum. Ze is daar eigenlijk heel gelukkig, dankzij de niet-aflatende inzet van het personeel. Tegelijk heb ik zelf kunnen vaststellen wat de hittegolf in haar nieuwe thuis heeft veroorzaakt: bejaarden die onwel worden van de hitte, kamers die meer weg hebben van een oven, oversterfte, personeel dat niet weet waar eerst hulp te bieden, en soms,…mensonwaardige toestanden.

Ik verslikte me vanochtend toch even in mijn koffie toen ik las dat Candice De Windt, CEO van het Vlaams Onafhankelijk Zorgnetwerk (Vlozo), de koepel voor private woonzorgcentra, pleit voor een verhoging van de dagprijs. De redenering is dat de renovatiekosten die gemaakt moeten worden opdat de woonzorgcentra zich structureel kunnen wapenen tegen de hitte, niet volledig kunnen worden gedekt door subsidies. Het geld moet van ergens komen, dus waarom niet van de bewoners. Als je thuis een nieuwe boiler plaatst, moet je die toch ook zelf betalen, zo gaat de redenering.

Mijn moeder betaald €2700 basisprijs per maand. Ze heeft het kleinste type van kamer. Haar buurvrouw betaald €3000, ze heeft een grotere kamer. Het is mij een raadsel wat er allemaal met dat geld gebeurt. Uiteraard moeten bejaarden eten en drinken en natuurlijk is er basiszorg die moet betaald worden. Ik vrees echter dat er heel wat ruimte is voor pure winst. Op zich heb ik daar geen probleem mee. Als je als ondernemer een woonzorgcentrum runt, mag je daar zeker aan verdienen. Tegelijk is het de ethische plicht van elk woonzorgcentrum, privaat of publiek om te zorgen voor de bewoners. Dit betekent kwaliteitsvolle zorg, voldoende personeel en een veilige en gezonde leefomgeving. En inderdaad, airco is geen luxe meer, daar heeft u gelijk in, het is eerder een basale kwaliteitseis geworden. De bewoner hiervoor laten betalen, is meer dan een brug te ver.

De kwaliteit van een samenleving kan je afmeten op basis van de zorg voor de zwakste schakels, een erfenis van onze christelijk-humanistische en verlichte samenleving.  Op de website van Vlozo, lees ik onder de rubriek missie en waarden: “Elke burger in Vlaanderen moet waardig ouder kunnen worden. Dat vraagt de juiste zorg en ondersteuning op het juiste moment en op de juiste plaats, bovendien tegen een correcte prijs voor zowel de individuele burger als de overheid”. Ik hoop dan ook dat Vlozo in haar beleid blijft handelen naar de geest van haar eigen visie.

 

 


vrijdag 17 april 2026

Hegel, politieke instabiliteit en de kracht van de hoop...enige verduidelijking

 

Wist je dat…

…je best eerst de blogpost “Hegel, politieke instabiliteit en de kracht van de hoop” leest, gepubliceerd op 16.04.2026…

…deze blogpost (hopelijk) enige verduidelijking biedt van de blogpost die je eerst gelezen hebt…

Wat ik in de blogpost van 16.04 wil zeggen is dat…

…Hegel een punt heeft dat de loop van de geschiedenis bepaald wordt door interactie tussen structuren en tendensen…

…Hegel de begrippen ‘structuren en tendensen’ niet gebruikt, maar dat ik ze hier invoer omdat ze in het kader van mijn tekst voldoende duidelijk maken waar het om te doen is…

…de interactie tussen voornoemde structuren en tendensen door Hegel wordt omschreven als een dialectisch proces…

…dat het dialectisch proces volgens Hegel leidt tot een hogere fase in de geschiedenis…

…dat die hogere fase volgens Hegel mogelijk wordt omdat de vorige structuren en tendensen door hun interactie met elkaar behouden blijven en tegelijk op een hoger niveau worden getild, wat hij de synthese noemt…

…dat de hedendaagse historicus naast een feitenkennis vooral streeft naar een inzicht in het voornoemde dialectisch proces…

…dat het dialectisch proces te begrijpen is vanuit een vooruitgangsgeloof dat typerend is voor de verlichting…

…dat de verlichting zelf twijfelt of dit vooruitgangsgeloof op alle vlakken even duidelijk is…technologische vooruitgang impliceert niet per definitie een vooruitgang op moreel vlak…

Wat ik nu vooral wil zeggen is

…dat de geopolitieke instabiliteit en/of de perceptie van geopolitieke instabiliteit het gevolg is van het ongeloof in de vooruitgang van de mens en mensheid op moreel vlak…

dat de geopolitieke instabiliteit en/of de perceptie van geopolitieke instabiliteit het gevolg is van het ongeloof in de kracht van het Hegeliaans dialectisch proces…

…dat je dit in de tekening kan vatten door het beeld dat vele mensen het treintje niet meer zien rijden in de richting van de zon…

…dat je dit in de tekening kan vatten door het beeld van versleten wagonnetjes (= structuren en tendensen die onderworpen zijn aan het Hegeliaans dialectische proces)…

De oplossing ligt volgens mij in…

…hoop die aanzet tot individuele en maatschappelijke actie…

…hoop kan worden aangeleerd…

…hoop die in dat opzicht aanstekelijk kan werken…

…hoop die individuen niet alleen aanzet tot actie maar diezelfde individuen ook overtuigd van de kracht van die actie…

…hoop die hoopvolle individuen doet sleutelen aan maatschappelijke instituties en structuren die op hun beurt weer hoop creëren…

En beste lezer…wat denk jij?

Ervaar jij zelf geopolitieke instabiliteit en hoe zou jij die omschrijven?

Komt deze tijd voor jou ook over als instabieler dan vroeger?

Zie je zelf het Hegeliaans dialectisch proces in de geschiedenis aan het werk? Kan je hier voorbeelden van geven?

Gaan we er individueel en/of als mensheid op vooruit? Kan je spreken over morele vooruitgang? Hoe toont zich dat volgens jou?

Is hoop een oplossing? Wat versta je onder hoop? Hoop als actie…hoe krijgt dit vorm?

 

donderdag 16 april 2026

Hegel, geopolitieke instabiliteit en de kracht van de hoop

 



Even ter inleiding:

Deze tekst heeft als bedoeling om een discussie op gang te trekken…

Ik bied hier geen systematische analyse van Hegel of Kant aan…

Deze blogtekst is een filosofische komma…de hedendaagse geopolitieke situatie kan pas worden begrepen vanuit een samengaan van een politieke, historische, sociologische en zelfs militaire analyse…

Ik wil op geen enkele manier voorbijgaan aan de ontzaglijke hoeveelheid menselijk leed dat zich elke dag opnieuw in de wereld aandient…lees de tekst dus niet als een koele, afstandelijke analyse…

Ik wil wel vanuit Hegeliaanse intuïties de discussie over (de perceptie) van geopolitieke instabiliteit mogelijk maken…

Hier ga ik dan:

De hedendaagse geopolitieke situatie wordt gekenmerkt door een verregaande instabiliteit. Deze instabiliteit vertoont zich niet alleen in wat er daadwerkelijk in de wereld gebeurt, ze manifesteert zich ook in een diepgaand gevoel van ongerustheid dat bij vele mensen heerst. Deze tekst heeft als doel een aanzet te geven voor een filosofische benadering vanuit het denken van Hegel. Ik geef dus geen politieke of historische analyse en zeker ook geen allesomvattende filosofische analyse van het probleem, noch van Hegels filosofie.

Voor ik van start ga wil ik wijzen op een belangrijk punt. Enerzijds is het de facto mogelijk dat de geopolitieke situatie instabiel is. Dit is een interessante en naar alle waarschijnlijkheid ware stelling, maar verre van eenvoudig aan te tonen. Om dit te bewijzen is een verregaande analyse vanuit verschillende disciplines onontbeerlijk (sociologisch, politiek, filosofisch, militair,…). Anderzijds heerst bij vele mensen de perceptie dat de geopolitieke situatie instabiel is. Aanwijzingen hiervoor vind je in de manier waarop mensen kijken naar wat er in de wereld gebeurt. Vaak wordt ten onrechte perceptie als een minder belangrijk probleem beschouwd, maar dat is het volgens mij niet. Perceptie kan immers leiden tot een specifieke vorm van handelen of het nalaten van handelen. Perceptie kan mensen aanzetten tot een positieve actie, maar ook de zaken op een heel negatieve manier beïnvloeden. Denk maar aan onverschilligheid of  ongenuanceerde radicaliteit.

Om mijn analyse te kunnen volgen, verwijs ik graag naar de tekening die ik door CHATGPT heb laten maken. Ik probeer in deze tekening enkele belangrijke Hegeliaanse intuïties weer te geven, zonder dat ik de hele filosofie van Hegel uitleg. Het spreekt voor zich dat het denken van Hegel veel complexer is, maar toch meen ik dat de tekening een verantwoorde manier is om zijn filosofie toe te passen op wat er zich vandaag afspeelt in de wereld. Een goederentrein met Hegel als machinist rijdt door een zonnig berglandschap in de richting van de bergtop. De goederentrein bestaat uit wagonnetjes waarop containers zijn geplaatst. De wagonnetjes verwijzen naar structuren of tendensen (deze begrippen komen niet van Hegel, maar zijn door mij ingevoerd om het complexe denken van Hegel te kunnen visualiseren) die Hegel meent te herkennen in de geschiedenis. De containers verwijzen naar concrete historische gebeurtenissen (einde van de middeleeuwen, 9/11, de eenmaking van Europa, etc.) Voornoemde structuren interageren met elkaar en leiden tot nieuwe structuren. Deze interactie noemt Hegel het dialectisch proces. Wat belangrijk is in dat dialectisch proces is dat de interactie tussen structuren leidt tot een nieuwe structuur waarin de voorgaanden  zijn opgenomen en op een hoger niveau zijn getild. De nieuwe toestand is dan de synthese van de vorige structuren. Een goed historicus is dan iemand die niet alleen over feitenkennis beschikt, maar die ook de onderliggende structuren en tendensen van de geschiedenis kan onderkennen en eventueel op basis van die kennis prognoses kan maken.

Een berglandschap is grillig. Bovendien kan het weer in de bergen heel snel veranderen. Je kan er de vier seizoenen in één dag beleven. Hiermee verwijs ik naar het dialectisch proces dat volgens Hegel uiteindelijk leidt tot een toestand op een hoger niveau. Hegel wil niet vanuit een misplaatst optimisme de geschiedenis lezen als een lineaire progressie naar een ideale toestand: er zijn heel wat momenten van terugval. Veeleer is de geschiedenis een grillige lijn die uiteindelijk, na heel wat hoeken en kanten zal leiden tot een punt dat door Hegel wordt omschreven als de verwerkelijking van de wereldgeest. Het is in het kader van deze tekst quasi onmogelijk om uit te leggen wat de verwerkelijking van de wereldgeest bij Hegel effectief betekent. Wat ik in dit betoog wil aangeven, is dat het punt van de verwerkelijking van de wereldgeest in de tekening wordt weergegeven door de zon. Uiteindelijk zal, aldus de tekening en wellicht ook vanuit Hegels denken, de zon schijnen. Hegels denken  impliceert een vooruitgangsgeloof, maar zeker geen naïef en simplistisch optimisme. Maar het gegeven punt kan ook worden opgevat als een punt op oneindig (wat eigenlijk meer aanleunt bij het denken van Kant, al lees ik Hegel ook zo, wat controversieel is). Het gaat hier dan over een niet aflatend streefdoel, een punt waar we ons als mensheid op richten maar dat we nooit (ten volle) kunnen of zullen bereiken. Voornoemd punt verwijst dan naar de idee dat zin kan worden gevonden in een continu proces van verbetering en menswording, waarbij elke persoonlijke en institutionele realisatie van vooruitgang (Hegel) geen definitief eindpunt is (Kant). Ik geef een voorbeeld: we kunnen wel degelijk maatschappelijke instituten in het leven roepen die een belichaming vormen van wat rechtvaardigheid is (Hegel), maar dit neemt niet weg dat we zullen moeten blijven streven naar rechtvaardigheid als te realiseren ideaal (Kant).

Zoals ik reeds vermeldde, heb ik de indruk dat mensen vandaag vooral instabiliteit voelen. Als we naar de tekening kijken, dan betekent dit dat velen onder ons niet meer geloven of durven geloven in de kracht van de zon. Het optimistische vooruitgangsgeloof staat onder druk. Mensen voelen aan dat vooruitgang niet alleen te maken heeft met technologie, maar ook met moraliteit. Gaan we er als mensheid op vooruit? Uiteraard, maar vooruitgang mag niet herleid worden tot technologische vooruitgang. De twijfel of misschien wel het ongeloof inzake de kwaliteit van de morele vooruitgang, vormt één van de voedingsbodems voor daadwerkelijke of gevoelsmatige instabiliteit.

Treinen verslijten. De wagonnetjes waarop de containers staan gemonteerd zijn aan renovatie toe. Zoals aangegeven gebruik ik de containers als beeld voor de daadwerkelijke historische gebeurtenissen zoals de vlucht naar de maan, de inval in Iran, de eenmaking van Europa, etc. In mijn tienerjaren hadden we als gezin de gewoonte om ’s avonds samen naar het journaal te kijken. De gruwel die we nu in het journaal zien, bestond toen ook. Ik zie nog steeds de beelden van de stervende kinderen tijdens de hongersnood in Ethiopië bijvoorbeeld, of de gruwel tijdens de burgeroorlog in Libanon of het bloed aan de inkom van de Delhaize na een nietsontziende aanval door de bende van Nijvel. Het zijn maar drie voorbeelden, er zijn er spijtig genoeg veel  meer. Ondanks de verontwaardiging die er toen bij mensen ook was, heb ik de indruk dat het geloof in de stabiliteit bij velen toen overeind bleef, wat vandaag veel minder het geval is. Mensen geloofden naar mijn aanvoelen meer in de kwaliteit van de wagonnetjes of de (Hegeliaanse) structuren die interageren met elkaar die uiteindelijk zullen leiden tot een hoger niveau van geschiedenis, een hoger niveau van menswording (Hegel). Ondanks de heftige historische gebeurtenissen en de felle interacties, bleef een vorm van (globale)stabiliteit bestaan, vooral ook omdat instituten zoals de Verenigde Naties die een belichaming vormen van het menselijk streven naar een hoger niveau, stand hielden.  Bovendien geloofden mensen, had ik de indruk,  ondanks alles in de kwaliteit van de spoorbaan, de voorspelbaarheid van het weer en zon bij aankomst op de bergtop. Dit geloof staat vandaag onder druk. Ik wil hier absoluut niet veralgemenen. Mensen stelden zich toen ook pertinente vragen, maar dit leidde niet tot een globale instabiliteit omdat de maatschappelijke (Hegeliaanse) en institutionele  structuren nog sterk genoeg waren om de trein in de richting van de zon te doen rijden.

Ik denk dat het heel belangrijk is te blijven geloven in de kracht van hoop. Hoop is immers besmettelijk. Wie hoopvol in het leven staat, geeft die hoop door aan anderen en vindt er zelf nieuwe kracht in. Psychologisch onderzoek suggereert dat hoop iets is dat kan worden aangeleerd. Hoop is echter niet gratuit. Hoop vereist daadwerkelijke actie. Het is de overtuiging dat wat je doet een verschil maakt. En inderdaad, het is vandaag zeker zo dat een individuele inspanning loont. Jouw actie maakt een verschil. Het spreekt voor zich dat de resultaten van hoop niet onmiddellijk zichtbaar zijn. Hoop vereist geduld en vastberadenheid. Bovendien zal individuele actie niet volstaan. Geopolitieke entiteiten zullen hun verantwoordelijkheid moeten blijven nemen en moeten inzien dat samenwerking resulteert in vooruitgang voor alle partijen. Maar diezelfde geopolitieke entiteiten kunnen maar overleven omdat de mensen die er deel van uitmaken hoopvolle mensen zijn die actie ondernemen zodat we er als mensheid niet alleen technologisch maar ook moreel op vooruitgaan.  Hoe dan ook, lijkt het me overduidelijk dat het geloof in de mogelijkheid van morele vooruitgang onontbeerlijk is, wil je die morele vooruitgang daadwerkelijk bereiken en de wereld verbeteren.


zaterdag 11 april 2026

Hoe Nietzsches Amor Fati tot vergeving oproept…

 

...hoewel Nietzsche niet expliciet over vergeving spreekt, kan affirmatie van de eeuwige terugkeer en dus van het leven maar gebeuren vanuit een houding die een sterke familiegelijkenis heeft met wat onder vergeving wordt verstaan...

...vergeet echter niet dat de gedachte van de eeuwige terugkeer van hetzelfde als het identieke VOOR NIETZSCHE het criterium voor de liefde tot het leven is...hiermee is niet gezegd dat de gedachte van de eeuwige terugkeer van hetzelfde als het identieke voor elk van ons het criterium voor de liefde tot het leven is...

In het prachtige aforisme 276 waarmee Nietzsche het vierde boek van de Vrolijke Wetenschap opent, verklaart hij plechtig dat Amor Fati, de liefde tot het lot, de liefde tot het leven, zijn enige streefdoel zal zijn. Hij schrijft: “Ik wil steeds meer leren, het noodzakelijke aan de dingen als het schone te beschouwen: - zo zal ik een van diegenen zijn die de dingen schoonheid verlenen. Amor Fati: dat zal van nu af aan mijn liefde zijn! Ik wil geen oorlog voeren tegen al wat lelijk is. Ik wil niet aanklagen, ik wil niet eens de aanklagers aanklagen” (p. 163).

Door aan de dingen schoonheid toe te dichten, zullen ze ook schoonheid verkrijgen. Het klinkt mooi, maar het is niet evident. Nietzsche heeft dit zelf meer dan eens ondervonden. Niet alleen werd hij geteisterd door ziekte, maar leefde hij ook met de teleurstelling van niet gelezen te worden. In de periode waarin hij de Vrolijke Wetenschap, maar ook de Zarathustra, schreef, werd Nietzsche eveneens op zijn hart getrapt door Lou Salome, aan wie hij twee huwelijksvoorstellen deed. Bovendien verliep de relatie met zijn zus Elisabeth en zijn moeder Franziska stroef, om het eufemistisch uit te drukken. Met enige moeite hervatte Nietzsche zijn correspondentie met het thuisfront in de vorm van brieven over banale onderwerpen zoals sokken en worstjes en opende hij zijn hart opnieuw voor Lou Salome. Beter enige vorm van relatie in stand houden dan alle schepen verbranden. We lezen in voornoemd aforisme: “De blik afwenden zal mijn enige ontkenning zijn! En, alles bij elkaar en in het groot: ooit wil ik nog eens uitsluitend iemand zijn die ja zegt!” (p. 163).

Verderop in dezelfde Vrolijke Wetenschap maken we kennis met een demon die je in het holst van de nacht confronteert met een pertinente vraag: zou je je bestaan, zoals het was, is en zal zijn, een oneindig aantal keer opnieuw willen beleven, op identiek dezelfde manier: “De eeuwige zandloper van het bestaan wordt telkens weer omgedraaid – en jij ook, stofje van het stof!” (§341 op p.201). Ziehier Nietzsches befaamde gedachte van de eeuwige terugkeer van hetzelfde als het identieke, het criterium dat Nietzsche zal gebruiken om zijn liefde tot het leven af te toetsen. Of zijn criterium het enige zaligmakende criterium is, laat ik in het midden. Wat belangrijk is, is dat Nietzsche er voor zichzelf diep van overtuigd is dat de gedachte van de eeuwige terugkeer de weg naar de liefde voor het leven is.

Je kan je natuurlijk de vraag stellen of ‘ja’ antwoorden op de vraag van de demon mogelijk is, altijd en overal en in alle mogelijke omstandigheden. Terwijl ik dit schrijf, zindert een nieuwsbericht over een kind van zeven dat verdronk in het Albertkanaal nog na. Wat een brute, niets ontziende wreedheid van het bestaan. Wat een onmetelijk verdriet…Om enigszins ‘ja’ te kunnen antwoorden probeert Nietzsche zijn leven om te gooien. Hij wil vanaf nu iemand zijn die ‘ja’ zegt. Om ‘ja’ te kunnen zeggen, zal hij geen oorlog voeren, geen conflict oppoken. Hij wil geen banden meer doorsnijden, in tegendeel, hij wil ze aanhalen, al zijn ze maar opgebouwd uit brieven over sokken en worstjes. Met andere woorden, de filosoof met de hamer die fulmineert tegen het christendom, probeert te de facto te ‘vergeven’.

Vergeving is een kerngedachte uit de joods-christelijke traditie, maar ook uit de islam. Op de vraag hoe vaak je moet vergeven, antwoordt Jezus in het evangelie van Matteüs: ““Neen, zeg Ik u, niet tot zevenmaal toe, maar tot zeventigmaal zevenmaal” (Mt. 18,22). Ik wil in deze geen afbreuk doen aan het atheïsme van Nietzsche, noch wil ik zijn woede tegenover het christendom temperen, maar ik wil er wel op wijzen dat Nietzsche de religieuze gedachte van vergeving erg belangrijk vindt, zo belangrijk, dat ze een voorwaarde is om ‘ja’ te kunnen antwoorden op de vraag van de demon om het leven een oneindig aantal keren opnieuw te willen beleven. En die ‘ja’ is de voorwaarde bij uitstek om het leven lief te hebben.

Nietzsche roept hier niet op tot romantische liefde die de harde realiteit van het leven miskent. Veeleer zoekt hij een manier om de harde kanten van het leven te kunnen beleven. Vergeving laat toe dat mensen elkaar opnieuw kunnen vinden, voorbij hun levensbeschouwelijke visie. Het is bekend dat Nietzsche diep geraakt werd door de schoonheid van de christelijke monumenten en kunst, maar dat hij weinig begrip kon opbrengen voor mensen die op hun knieën de treden van een kerk opklommen. Het is ook merkwaardig dat diezelfde Nietzsche een eerste kennismaking met Lou Salome plande in de Sint-Pieters basiliek van Rome. Zijn kennismaking met Lou Salome zou een aanzet worden tot een triumviraat van vrijdenkers waar hij samen met Paul Rée en Lou Salome deel van uit zou maken. Of hoe vergeving een brug kan slaan tussen uiteenlopende levensbeschouwingen en uiteindelijk kan helpen tot een weloverwogen liefde tot het leven.

Nietzsche, Friedrich, De Vrolijke Wetenschap, coll. Nietzsche bibliotheek, 2011

 ...tenslotte beste lezer...wat betekent liefde voor het leven voor jou...welke rol speelt de gedachte van de eeuwige terugkeer hierin...hoe belangrijk is voor jou...vergeving...

 

donderdag 17 juli 2025

Hoe Hegel over het "ding" denkt...een eerste aanzet

In wat volgt tracht ik uit te leggen wat Hegel onder het ding verstaat. In volgende teksten zal ik uitleggen wat hij onder het begrip en de wet verstaat en op welke manier ding, begrip en wet zich tot elkaar verhouden.

Laten we beginnen met het ding. Hierover schrijft Hegel: “Het rustende zijn en het zijn in verhouding komen met elkaar in conflict:  het ding is in het eerste iets anders dan volgens het andere, terwijl daarentegen het individu-zijn erin bestaat zich in de verhouding tot iets anders te handhaven” (cursivering: Hegel) (Hegel, p. 160). Om Hegels denken goed te kunnen vatten is het belangrijk om het statische en het dynamische samen te denken. Het rustende zijn, waarvan sprake in het citaat, is  wat ik het zijn of het bestaan an sich zou durven noemen.  Vanaf het ogenblik dat een voorwerp of een mens ontstaat, treedt het onmiddellijk in interactie met het zijn of het bestaan an zich. Juist omdat het ding ontstaat en bestaat, treedt het in verhouding (versta in een dialectisch proces) met het zijn of bestaan an sich. Het ding is dus niet zomaar iets dat in de wereld bestaat, maar dat bepaald wordt door verhouding.

Hegel schrijft dat het ding in het rustende zijn anders is dan het ding in het zijn in verhouding. Dit heeft alles te maken met het samen denken van het statische en het dynamische. In het rustende zijn zweeft het ding als het ware volkomen bewegingsloos in het bestaan (let op: dit is een metafoor), terwijl het in het zijn in verhouding volop bezig is zich te ontwikkelen. Maar, en dat is cruciaal, het ding heeft beide toestanden (rustende zijn + zijn in verhouding) nodig wil het echt bestaan. Je zou het met een beeld uit de kwantumfysica kunnen omschrijven. In zeker zin is het ding bij Hegel steeds in superpositie: het bestaat juist omdat in alle mogelijke verhoudingen ten opzichte van een werkelijkheid die zelf verhouding is, tegelijk bestaat. Let wel, elke vergelijking mankt. In de fysica gaat het over probabilistische toestand van een deeltje vóór meting, waarbij het in meerdere mogelijke staten tegelijk verkeert. Bij Hegel is er echter geen sprake van waarschijnlijkheid of onzekerheid, maar van een dialectisch noodzakelijk proces dat steeds naar synthese en zelfverwerkelijking streeft. Superpositie suggereert een ontkenning van actualiteit (pas bij meting wordt de toestand “echt”); Hegel daarentegen stelt dat de eenheid van tegenstellingen daadwerkelijk is in het hogere niveau van synthese.

Meer nog, wat ik echt bestaan noem, is het gevolg van een dialectisch proces waarbinnen het ding in het rustende zijn interageert met het ding in verhouding en vanuit die interactie een hoger bestaansniveau verkrijgt. Het dialectisch proces bij Hegel heeft alles te maken met het verwerkelingsproces van de waarheid. Wat men vulgariserend omschrijft als these en antithese, zullen in de synthese samen bestaan, maar wel op een hoger niveau. Ik gebruik hier vulgariserend omdat Hegel zelf niet spreekt over these, antithese en synthese. Deze triade, hoewel een te sterke simplificatie van Hegels denken, laat wel zien dat verhouding ontstaat omdat het ene het andere uitlokt, waarbij ze samen op een hoger niveau worden getild (Aufhebung)

In hetzelfde citaat stelt Hegel dat het individu-zijn van het ding erin bestaat zich in de verhouding tot iets anders te handhaven. Het ding is een individu, wat letterlijk ondeelbaar betekent. Deze ondeelbaarheid blijft bestaan, zelfs wanneer het noodzakelijk in verhouding treedt tot de rest van de werkelijkheid. Meer nog, het ding  zal omwille van de verhouding tot de werkelijkheid, resulteren in een hoger niveau van werkelijkheid.

In conclusie wil ik erop wijzen dat we in de zoektocht naar wat Hegel onder een ding verstaat, iets heel belangrijk hebben aangestipt, misschien wel een sleutel om het complexe denken van Hegel te begrijpen. Je moet beseffen dat uitersten, zoals het statische en het dynamische, samen moeten gedacht worden wil je te weten komen wat een ding in deze wereld is. Let wel, ik gebruik het woordje ding voor alles wat er in deze wereld kan bestaan: een koe, een stoel, een laptop, rechtvaardigheid, liefde, de mens, een schoendoos, etc. Als je wil weten wat een ding echt is, dan moet je het statische en het dynamische samen denken. Ik ben wie ik ben, nu op het moment dat ik deze tekst schrijf (statisch). Ik ben wie ik ben, omdat ik in verhouding sta tot de rest van de werkelijkheid en dus ook evolueer (dynamisch). Tenslotte ben ik wie ik ben, juist omdat het statische en het dynamische samen kunnen verworden tot wie ik ben (maar dan op een hoger niveau). Dit dialectisch proces is vulgariserend bekend onder these, antithese en synthese. Maar, en dit is heel belangrijk, weet dat dit proces zich niet beperkt tot mij alleen.  Op hetzelfde moment geldt het dialectisch proces voor alles wat bestaat, inclusief het bestaan zelf. In Hegels denken evolueert de hele werkelijkheid naar een verwerkelijking van de waarheid, wat ik onmogelijk in deze tekst kan toelichten. Maar, wat misschien al wel duidelijker is, is dat volgens Hegel de waarheid het geheel is. Daarom schrijft Hegel in heel bekende bewoordingen: “Het ware is het geheel. Het geheel is evenwel slechts het zich door zijn ontwikkeling heen voltooide wezen” (Hegel; p. 20).

Bronvermelding

Hegel, Georg Wilhelm Friedrich, Fenomenologie van de geest, vertaling: Willem Visser, Boom: Amsterdam, 2013, 495p. (oorspronkelijke uitgave: Phänomenologie des Geistes, Würzburg:Goebhardt, 1807)

 

 

 

maandag 14 juli 2025

Het ontstaan van het begrip in Hegels Fenomenologie van de Geest

 

Dat het begrip slechts kan ontstaan omdat het bewustzijn in staat is dit begrip te vormen, lijkt evident. Vraag is op welke manier dit begrip volgens Hegel tot stand komt en wat de rol van het verstand, de rede en de observatie is. Begrippen leiden tot wetten, maar ook dat kan niet zonder de inbreng van het bewustzijn. In wat volgt tracht ik het proces dat volgens Hegel hiermee gepaard gaat te omschrijven. Dit zal in verschillende columns moeten gebeuren omdat die redenering uitgebreid en genuanceerd is. In deze tekst tracht ik uit te leggen op welke manier het bewustzijn zich tot de buitenwereld richt en hoe in dat proces het begrip tot stand komt.

In eerste instantie zal het bewustzijn menen en waarnemen. Dit menen of waarnemen levert onvoldoende informatie op in de zin dat menen en waarnemen de hele waarheid, i. e, de relatie tussen subject en buitenwereld niet kunnen vatten. Menen en waarnemen dienen zich nu te richten op de waarheid, en zullen dus op een hoger niveau moeten worden getild. Dit proces, waarbij het menen en het waarnemen op de waarheid worden gericht, wordt mogelijk gemaakt door de rede. Deze gerichtheid op de waarheid is niet alleen belangrijk wil het bewustzijn informatie over deze wereld inwinnen, ze is ook constitutief voor het bewustzijn zelf: “Ze [de rede] zoekt haar ‘andere’ omdat ze weet daarin niets anders dan zichzelf te bezitten, ze zoekt slechts haar eigen oneindigheid” (Hegel, 156). Om dit laatste goed te kunnen begrijpen is het belangrijk te beseffen dat het bewustzijn zich niet alleen op dingen richt die zich in de buitenwereld bevinden, maar ook op een ander bewustzijn. De interactie van beiden (bewustzijn 1 met bewustzijn 2 etc.) levert in die zin oneindigheid op, dat het onmogelijk is vast te stellen waar de grenzen van ieder individueel bewustzijn zich bevinden, tijdens en nadat ze in interactie met elkaar treden. Ik verklaar me nader: veronderstel dat twee mensen elkaar ontmoeten. Mijn voorbeeld is beperkt, in de zin dat we uiteraard met heel wat meer mensen interageren. De invloed die de ander op mij heeft (en ik op de ander) is mede constitutief voor mijn bewustzijn (en dat van de ander). Deze interactie is onderdeel van het dialectisch proces waarbij het individuele bewustzijn op een hoger niveau wordt getild. Met andere woorden zorgt de interactie met de ander ervoor dat ik mezelf verder ontwikkel, een proces dat uiteraard ook voor de ander geldt. Maar er is meer, oneindigheid bij Hegel gaat ook over het feit dat het bewustzijn zichzelf erkent in de interactie met de ander. Deze interactie resulteert immers vanuit het dialectisch proces in een hogere realiteit waarbij het bewustzijn zichzelf erkent in wat eertijds vreemd, anders was.

Hegel schrijft: “Het bewustzijn observeert; dat wil zeggen de rede wil zich als zijn voorwerp, als werkelijke, zintuiglijk-tegenwoordige zijnswijze aantreffen en hebben. Het bewustzijn van dit observeren meent en zegt wel dat het niet zichzelf, maar integendeel het wezen van de dingen als dingen wil ervaren  […] Indien het bewustzijn zou weten dat de rede het gelijke wezen van de dingen en van zichzelf is, en dat de rede alleen in het bewustzijn in haar specifieke gestalte aanwezig kan zijn, zou het eerder in zijn eigen diepte afdalen en haar daar zoeken dan in de dingen” (cursivering: Hegel) (Hegel, p. 156-157). Het bewustzijn observeert omdat het uiteindelijk de wereld wil kennen zoals die echt is: het bewustzijn wil met andere woorden het wezen van de werkelijkheid doorgronden. Maar er is gevaar. Als de rede, die alle realiteit is (Hegel, p. 152), zou denken dat ze het wezen van de dingen, de werkelijkheid dus, zou kunnen ontdekken door een vorm van introspectie, dan zou het bewustzijn alleen maar met zichzelf bezig zijn. Het bewustzijn zou abusievelijk van mening zijn dat, nadat het in zichzelf is afgedaald, het in staat zou zijn om de werkelijkheid te doorgronden zoals ze is. Maar hier zit de fout: kennis van de werkelijkheid kan maar ontstaan op voorwaarde dat het bewustzijn in een dialectisch proces treedt met die werkelijkheid. In dit dialectisch proces leert het bewustzijn wat het is (vb: ik ben Wim)  en wat het niet is (vb: ik ben geen ingenieur), maar evolueert het omdat het zichzelf en dat wat het observeert (het andere of de andere) op een hoger niveau tilt. Ik geef een voorbeeld: Ik ben een reiziger, maar ik ben nog nooit in Spanje geweest. Na een reis in Spanje zal ik een ervaring rijker zijn en zal ik ook als reiziger geëvolueerd zijn. Met andere woorden: louter zuivere subjectiviteit is onvoldoende om de waarheid te vatten: steeds zal er interactie met de buitenwereld nodig zijn.

Hegel schrijft: “Ze [de rede] richt zich als observerend bewustzijn daarom op de dingen in de mening dat ze die in waarheid als zintuiglijke, aan het ik tegengestelde dingen opvat; maar haar daadwerkelijke doen is in tegenspraak met die mening, want ze leert die dingen kennen, ze verandert hun zintuiglijkheid in begrippen, dat wil zeggen precies in een Zijn dat tegelijk ‘ik’ is; ze verandert het denken zo in een zijn denken of het Zijn in een gedacht Zijn, en beweert in feite dat de dingen alleen als begrippen waarheid hebben” (Hegel, p. 157). De rede zet zich in eerste instantie af tegenover de buitenwereld door te stellen wat het niet is. De stoel die ik observeer behoort niet tot wie ik ben. Maar, doordat het bewustzijn de stoel observeert, zal die stoel opgenomen worden in het bewustzijn als een begrip. Het begrip ontstaat dus pas als een synthese van het bewustzijn met het geobserveerde object. Het begrip is niet enkel een intern construct, maar een werkelijkheid waarin rede zichzelf herkent in het andere.

Het spreekt voor zich dat de observatie van het bewustzijn zich niet beperkt tot die ene stoel. Het bewustzijn doet immers heel wat observaties. Doordat het bewustzijn telkens de buitenwereld in zich opneemt als begrip, zal het zich meer en meer ontwikkelen. Ziehier het dialectisch proces met de buitenwereld, dat zich niet onmiddellijk als een voltooid proces aandient. Dit proces loopt in momenten. Stap voor stap zullen zich nieuwe begrippen aandienen waardoor het bewustzijn wordt uitgedaagd om zich verder met de buitenwereld in te laten. Hegel spreekt over ‘doen’: ‘Het doen van de observerende rede moet worden beschouwd in de momenten van de beweging ervan […]” (Hegel, 157). De vorming van het begrippenarsenaal op zich is uiteraard onvoldoende om een correct beeld van de werkelijkheid te vormen. De dingen in de buitenwereld die aan deze begrippen zijn gekoppeld, treden onderling in interactie. De vraag, die in een volgende column zal worden behandeld, is hoe de wetten ontstaan die de interactie tussen de dingen uit de buitenwereld beschrijven en welke verhouding het bewustzijn tegenover deze wetten aanneemt.

Bronnen

Hegel, Georg Wilhelm Friedrich, Fenomenologie van de geest, vertaling: Willem Visser, Boom: Amsterdam, 2013, 495p. (oorspronkelijke uitgave: Phänomenologie des Geistes, Würzburg:Goebhardt, 1807)

donderdag 10 juli 2025

Het bewustzijn en het zelfbewustzijn bij Hegel

Ik trap een open deur in als ik je zeg dat het niet eenvoudig is om een onderscheid te maken tussen het bewustzijn en het zelfbewustzijn. In deze blogpost tracht ik een zinnetje uit de Fenomenologie van de geest van Hegel voor mezelf duidelijk te maken. Let wel op, beste lezer, ik kan me vergissen en uiteraard is het hele verhaal over (zelf)bewustzijn bij Hegel hiermee niet verteld.

Hegel schrijft: “Het zelfbewustzijn is echter niet alleen voorzich, maar ook opzich de hele realiteit, en wel pas doordat het die realiteit wordt, of eigenlijk blijkt te zijn” (cursivering: Hegel) (Hegel, p.150).

De sleutel om het verschil tussen zelfbewustzijn en bewustzijn bij Hegel te begrijpen, ligt in de relatie tot de wereld. Intuïtief kan je aanvoelen dat daar iets voor te zeggen valt. Neem bewustzijn. Stel dat je een wezen zou hebben dat op een planeet leeft. In een bepaalde fase van zijn ontwikkeling, bereikt het wezen bewustzijn. Het beseft dat het bestaat. Hegel schrijft: “Het bewustzijn gaat in de gevatte gedachte dat het enkele bewustzijn op zich absoluut wezen is terug in zichzelf” (cursivering: Hegel) (Hegel, p. 149). Het wezen kan dus bestaan naast andere wezens. Elk wezen op zich  kan dus over bewustzijn beschikken, zonder dat het enig besef heeft van de wereld rondom. Je kan je de vraag stellen of dit mogelijk is. Kan je bewust zijn, zonder te beseffen dat je anders bent dan datgene wat je in de wereld tegenkomt? Contact met de wereld is toch onvermijdelijk, dat stelt Hegel zelf vast. We zullen dus moeten nuanceren. De sleutel ligt in de mate waarin dit contact zich voltrekt. Hegel schrijft: “Voor het ongelukkige bewustzijn is het op-zich-zijn het transcendente van zichzelf” (cursivering: Hegel) (Hegel, p. 149). Inderdaad, genoemd wezen is bewust maar ervaart datgene wat anders is niet zozeer als transcendentie, als iets dat hem/haar overstijgt. De buitenwereld is dan ook geenszins of althans in te beperkte mate, mede bepalend voor zijn/haar identiteit. Daarom spreekt Hegel van het ongelukkige bewustzijn.

Keren we terug naar het eerste citaat: “Het zelfbewustzijn is echter niet alleen voorzich, maar ook opzich de hele realiteit, en wel pas doordat het die realiteit wordt, of eigenlijk blijkt te zijn” (cursivering: Hegel) (Hegel, p.150). Je spreekt over zelfbewustzijn vanaf het moment dat het wezen, in casu de mens zich bewust is dat hij/zij een zelf is, een identiteit is, die niet alleen gebouwd is vanuit zichzelf (opzich), maar ook omwille van de interactie met de wereld (voorzich). Deze interactie wordt door de mens als constitutief voor het zelf ervaren. Interactie met de wereld is geen faits divers, het is niet onbelangrijk, banaal of ongewoon. Integendeel, niet alleen is de interactie met de wereld cruciaal wil men evolueren van bewustzijn naar zelfbewustzijn, meer nog, deze interactie is het bewijs dat de ontwikkeling van het individuele bewustzijn bij Hegel samengaat en analoog verloopt met de ontwikkeling van de wereldgeest en het implementeren van waarheid. Bovendien kan het zelfbewustzijn zich maar ontwikkeling vanuit een dialectisch proces  met zichzelf en de wereld, wat ook conflict met de wereld betekent (denk aan de meester-slaaf-dialectiek, die ik in deze post niet kan uitwerken).

Opnieuw het eerste citaat: “Het zelfbewustzijn is echter niet alleen voorzich, maar ook opzich de hele realiteit, en wel pas doordat het die realiteit wordt, of eigenlijk blijkt te zijn” (cursivering: Hegel) (Hegel, p.150). Het zelfbewustzijn kent een symbiose tussen worden en zijn. Worden omdat het zich bewust is van het feit dat het zelfbewustzijn het resultaat is van een evolutie maar ook dat het steeds onderhevig aan evolutie zal zijn en het resultaat van een dialectisch proces. Tegelijk beschikt de mens over de rede, een essentieel facet dat de koppeling tussen mens, wereld en waarheid kan doen ontstaan. Over deze rede schrijft Hegel: “De rede is de zekerheid alle realiteit te zijn” (cursivering: Hegel) (Hegel, p. 152). De verwerkeling van de mens, i.e. het werkelijk worden, het krijgen van realiteit, gebeurt op het moment dat de rede de zekerheid aanbiedt dat de mens geworden is wie hij is, en dit in relatie tot zichzelf en de wereld.

Hegel schrijft: “Het bewustzijn dat deze waarheid is, heeft deze wereld achter de rug en is hem vergeten, wanneer het onmiddellijk als rede optreedt, of, anders gezegd, deze onmiddellijk optredende rede treedt alleen als de zekerheid van die waarheid op”(cursivering: Hegel) (Hegel, p. 151) (onderlijning: Verbeeck). Met andere woorden: in het stadium van de verwerkeling van de geest (wereld) en het komen tot zelfbewustzijn van de individuele mens, wat dus hand in hand gaat, treedt de rede op als bouwheer voor de waarheid, dit in het besef dat de rede zelf het resultaat is van een dialectisch proces.

Ik besluit dat het cruciale verschil tussen bewustzijn en zelfbewustzijn bij Hegel te maken heeft met de doorgedreven relatie met zichzelf en de wereld. Hoewel bewustzijn niet kan worden losgekoppeld van een interactie met de wereld, gaat het zelfbewustzijn veel dieper. De mens die zelfbewust is geworden, zal dit telkens opnieuw worden in relatie tot de wereld. Zowel de mens als de werkelijkheid, die uiteraard niet los van elkaar bestaan, de mens is een onderdeel van de werkelijkheid, kennen daarom een statische component (ze zijn), maar ook een dynamische (ze worden). Uiteindelijk zal de rede garant staan voor de verabsolutering van de wereldgeest, het poneren van de ultieme waarheid, waarin zowel de individuele mens als de wereld zullen bestaan.

Bronmateriaal

Hegel, Georg Wilhelm Friedrich, Fenomenologie van de geest, vertaling: Willem Visser, Boom: Amsterdam, 2013, 495p. (oorspronkelijke uitgave: Phänomenologie des Geistes, Würzburg:Goebhardt, 1807)

Airco in woonzorgcentra: een reactie

Op de website van VRTNWS verscheen een artikel waarin Candice De Windt, CEO van het Vlaams Onafhankelijk Zorgnetwerk (Vlozo), de koepel voor...