maandag 15 februari 2021

De waker van Kopenhagen en het begrip 'angst'

 

In ‘Het begrip Angst’, geeft Vigilius Haufniensis, de waker van Kopenhagen, pseudoniem van de Deense filosoof Kierkegaard, wat hij een ‘eenvoudige psychologische overweging’ van het begrip angst noemt en dit in relatie tot de erfzonde. Een eerste indruk van deze titel kan heel wat lezers op het verkeerde been zetten. Het is helemaal geen eenvoudige lezing. ‘Het begrip angst’ is een uiterst complex boek waarin de waker van Kopenhagen een stortvloed aan gedachten op de lezer afvuurt, vaak in zeer complexe zinnen met heel uiteenlopende invalshoeken. Bovendien ben je als eenentwintigste eeuwse lezer geneigd om de psychologie te begrijpen als een empirische wetenschap, wat ze ten tijde van Kierkegaard niet was. Maak je deze fout, dan verval je in de zoektocht naar een psychologisch begrijpen van de angst waar het Kierkegaard niet in eerste instantie om te doen is.

U begrijpt dat een korte tekst als deze slechts een eerste aanzet kan zijn. Mijn bedoeling is om in korte bewoordingen een (van de meerdere) invalshoeken te schetsen. Kierkegaard wil een metafysische analyse aanbieden van het begrip, het concept angst, en dit in relatie tot de erfzonde. De metafysica is een discipline binnenin de filosofie die beweert dat er een essentie van de werkelijkheid bestaat en dat het voor de mens mogelijk is deze essentie te begrijpen. De hele geschiedenis van de metafysica kan gelezen worden als een commentaar, een bevestiging en/of problematisering van deze stelling. Toegepast op de angst, probeert Kierkegaard te begrijpen wat het wezen van de angst is.

Natuurlijk is het nodig om  de angst eerst in een concept te vatten, vooraleer de zoektocht naar haar essentie kan beginnen. Het woord concept komt van het Latijnse werkwoord concipere wat omvatten betekent. Met andere woorden, naast een analyse van wat de essentie van de angst is, wil Kierkegaard ook begrijpen wat het concept angst is. Eenvoudig gezegd, hij wil niet alleen het product kennen, maar ook de verpakking.

De angst ontstaat op het moment dat mens geconfronteerd wordt met de veelheid van keuzen die hij/of zij kan maken. De toekomst kan alle mogelijke richtingen uit. Merk op dat deze redenering ook vanuit de samenleving als geheel kan worden gemaakt. Waar wil je als maatschappij, als cultuur naartoe? De veelheid van keuzen bevat natuurlijk ook een aantal (ethisch) mindere keuzen, soms zelfs fatale of laakbare keuzen. De angst ontstaat omdat er altijd de mogelijkheid is dat je de verkeerde keuze maakt.

Wanneer stelt het probleem zich? Het probleem stelt zich op een ogenblik, een moment in de tijd. Maar, zo merkt Kierkegaard spitsvondig op, dit ogenblik is veel meer dan een banale tijdsaanduiding. In het ogenblik draag ik mijn verleden mee en zie ik alle (of vele) mogelijke vormen van toekomst. Met andere woorden, in het ogenblik zit het verleden en de toekomst in zekere mate vervat, zij het dan als mogelijkheid. Daarom zal Kierkegaard het ogenblik aan de eeuwigheid gelijk stellen.

De angst ontstaat dus ook omwille van het niets. In het ogenblik kiest men niet per definitie fout. Angst slaat dus op wat mogelijk is, in potentie is, en dus nog niet is of al voorbij is. Toch is de angst reëel, want je moet kiezen. Onnodig erop te wijzen dat Jean-Paul Sartre zich door Kierkegaard heeft laten inspireren wanneer hij later zal schrijven dat de mens tot de vrijheid is veroordeeld: l’ homme est condamné à être libre. De angst transformeert zich naar vrees op het moment dat de situatie reëel wordt. Je wordt op het bureau van de baas ontboden en je krijgt effectief een sanctie, dan ontstaat er, aldus Kierkegaard vrees. Het uur voordien, toen je nog niet op het bureau was verschenen was er angst, omdat je uit ervaring leert dat op het bureau ontboden worden, slecht nieuws betekent, met als gevolg een mogelijk ontslag, maar niets daarvan is dan al reëel, het is slechts mogelijk.

Je zou kunnen stellen dat Kierkegaard wel een heel pessimistisch boek heeft geschreven. Toch even opletten. Kierkegaard poneert de stelling dat het geloof in staat is om de angst te overwinnen (niet te vernietigen) en de vrijheid haar rechtmatig karakter terug te geven. Hiervoor schreef ik dat de atheïstische Sartre zich op Kierkegaard heeft gebaseerd. Natuurlijk kon hij als atheïst, die gedachte van het geloof niet overnemen. Ik zie dan ook in het existentialisme van die tijd een moeilijke zoektocht naar de hoop, een hoop die Kierkegaard vanuit het geloof staande houdt.

Ik schreef hiervoor dat Kierkegaard zijn analyse wil koppelen aan de erfzonde, de zonde van Adam. Het is niet mijn bedoeling om in deze tekst zijn analyse op te nemen. Ik wil afsluiten met een aantal vragen die Kierkegaard zich stelt. Indien Adam de eerste mens zou geweest zijn (Kierkegaard was niet naïef), was zijn ogenblik dan vergelijkbaar met mijn ogenblik. Adam kon niet terugvallen op een geschiedenis. Wanneer begint de geschiedenis? Stel dat Adem geen zonde zou gepleegd hebben, zou de angst dan zijn wat ze vandaag is? Is de oerzonde de ergste zonde? Verergert deze zonde of verzwakt ze? Verandert ze van aard of verdwijnt ze? Maak niet de fout om Kierkegaard van naïviteit of irrelevantie te beschuldigen. Ik geef een voorbeeld. Mensen met een moeilijk familiaal verleden, denk bijvoorbeeld aan generatie-armoede, mensen die heel wat hebben meegemaakt, dragen hun geschiedenis soms zwaarder mee dan anderen. Ze erven met andere woorden alles wat er vroeger is misgelopen en worden nog sterker geconfronteerd met wat Kierkegaard hierboven als angst heeft omschreven. Uiteraard vereist dit een sterk genuanceerde analyse van wat zonde is, veel meer dan de simplistische identiteit tussen zonde en schuld, iets waar Kierkegaard zich zeker bewust van is.

 

vrijdag 12 februari 2021

Het huishouden en de president

 

Zonet draaide ik de laatste bladzijde om van A Promised Land, het eerste deel van de memoires van Barack Obama. Neen, er volgt geen recensie. Ongetwijfeld kan u die op vele andere plaatsen lezen. Ik sta graag stil bij één gedachte van Obama zelf, geformuleerd ongeveer in de helft van zijn boek.

Ten midden van de zoveelste crisis, merkt Obama op dat zijn personeel zich tot het uiterste inzet. Werkdagen van twaalf uren, het is voor iedereen in zijn entourage eerder de regel dan de uitzondering. Obama vertelt over werknemers die hun gezin de voorbije jaren amper hebben gezien, maar ook over vrijgezellen, die, omwille van de job, hun vrijgezellenbestaan liever nog wat langer verderzetten. En, zo merkt Barack Obama op, niet iedereen heeft de luxe om slechts enkele minuten van zijn woning te werken. Als het eerste deel van de werkdag erop zit, is het voor Obama slechts een minuutje wandelen om de privévertrekken van het Witte Huis te bereiken. Daar wacht een legertje bedienden hem op: een kok, een butler, huishoudelijk personeel. En inderdaad, het grootste deel van zijn medewerkers hebben dit allemaal niet. Na een slopende werkdag, wacht een verplaatsing naar huis, waar er geen personeel is. Inderdaad, daar ben ik het roerend eens met de voormalige president, deze mensen offeren een belangrijk deel van hun bestaan op.

Tegelijk, en daar wijst ook wijlen rabbi Jonathan Sacks op, ontstaat hier een belangrijke paradox. Ongetwijfeld bent u het met me eens dat Barack Obama een mooie carrière achter de rug heeft, een carrière die hem aanzien heeft geschonken. Zoveel aanzien zelfs, dat het hem de nobelprijs voor de vrede heeft opgeleverd, een prijs die Obama zelf niet kan plaatsen. Wat heb ik, zo redeneert hij terecht, bijgedragen aan de wereldvrede. Diplomatisch als hij is, neemt hij de prijs in ontvangst en transformeert hij die prijs naar een opdracht in de toekomst. Hoe kan hij, zijn regering en de Verenigde Staten bij uitbreiding, bijdragen tot die vredevolle wereld waar velen onder ons naar verlangen? De paradox zit in het feit dat enerzijds een carrière voor velen onder ons, terecht, erg belangrijk is, maar anderzijds is wie we zijn voor anderen doorslaggevend, omdat dat nu net is wat er van ons herinnerd wordt.

Ik wil graag op iets anders wijzen. Veronderstel dat iemand een zogenaamde nine–to- five job heeft, waarbij er geen overuren, noch extra thuiswerk wordt gevraagd. Na de werkuren gaat mevrouw of mijnheer naar huis en wijdt zich ten volle aan het huishouden en de opvoeding van de kinderen. Er is nog tijd voor een hobby, zeker, maar toch staat een belangrijk deel van het leven in het teken van de ander. Waarom weigeren zovelen onder ons nu juist dat te benoemen met het maken van carrière? Ik ben het zeker eens met het feit dat politici zoals Obama, maar ook Belgische politici, CEO’s van bedrijven, zelfstandigen, enz. heel wat tijd in hun job steken en dat geeft aanzien. Maar mijn fictieve werknemer van daarnet, engageert zich ook. En dat, beste lezer, drong in die korte paragraaf van overpeinzingen ook bij de ex-president van de Verenigde Staten door.

Ik wil hier geen belerend of moraliserend vingertje opsteken. Ik erken ten volle dat niet iedereen voor elk type leven is weggelegd. Er zijn mensen die gemaakt zijn om een land te leiden, een longarts te worden of een nieuwe wetenschappelijke theorie te schrijven. Evenzeer zijn er mensen die zou wegkwijnen wanneer ze gedwongen worden om het huishouden te doen. Wat ik gewoon wil zeggen is dat het geen kwaad kan om af en toe eens stil te staan bij wat we als samenleving onder een geslaagd leven willen en kunnen verstaan. Op die manier kan er meer begrip en waardering zijn voor anderen, voor wie ze zijn en voor wat ze doen. Er zou een warmere samenleving kunnen ontstaan waarin de CEO even hoog op de sociale ladder staat als de kassabediende, de man van de groendienst als de plastisch chirurg. Economie, zo stelde de Griekse wijsgeer Xenophon, is het voeren van het huishouden als kunstwerk. En hierin schuilt voor Nietzsche ook een levensopdracht. Maak van wie je bent en van je leven een kunstwerk, wees zelf kunstenaar en ga op dat unieke avontuur om te ontdekken waar het voor jou echt op aankomt. En begrijp dat niet elk kunstwerk hetzelfde is.

 

 

 

zaterdag 7 november 2020

De driehoek van de vrijheid

 

Enige tijd geleden introduceerde dr. Marc Noppen, CEO van het UZ Brussel, in het programma De Afspraak een zogenaamde management driehoek met volgende hoekpunten: gezondheid, economie en persoonlijke vrijheid. Omdat landen zoals China de pijler van de persoonlijke vrijheid uitschakelen, zijn ze in staat om de coronapandemie te bedwingen met een minimaal economisch verlies. Anders gezegd, gezondheid en economie worden gevrijwaard omdat de persoonlijke vrijheid aan banden wordt gelegd, een offer dat noodzakelijk en onvermijdelijk zal zijn. Zo’n boodschap komt aan. Niemand krijgt graag de boodschap dat zijn vrijheid zal worden ingeperkt. Hoewel voornoemde driehoek een aantrekkelijke tool is in de strijd tegen de pandemie, denk ik dat er toch enkele bedenkingen kunnen worden geformuleerd.

Ten eerste is het onmogelijk om persoonlijke vrijheid volledig uit te schakelen. Ik heb het dan niet over de onmogelijkheid van een lockdown zoals we die nu kennen. Ten tweede start de redenering van de driehoek vanuit een specifieke, mijns inziens minimalistische opvatting van de vrijheid. Ik leg uit wat ik bedoel.

Persoonlijke vrijheid wordt vaak als synoniem gebruikt van de idee dat iemand kan doen wat hij/zij wil, wanneer hij/zij dat wil. Het is zaterdagavond, ik wil naar de cinema en nadien wil ik op restaurant. De bioscopen en de horeca zijn gesloten, mijn vrijheid wordt beperkt. Maar dit is slechts een deel van het verhaal. Er bestaat ook een vorm van vrijheid van, gekoppeld aan verantwoordelijkheid voor. Door de invoering van de hoogstnoodzakelijke maatregelen in de bestrijding van het corona-virus, wordt de samenleving bevrijd van een hoog gezondheidsrisico of een ziekte. Met andere woorden, door zelf de maatregelen strikt op te volgen, werk ik mee aan de vrijheid, versterk ik de vrijheid, maar dan wel een specifiek aspect van die vrijheid, namelijk de vrijheid van ziekte. De redenering geldt ook voor de pijler van de economie. Omdat de bedrijven en de publieke sector kunnen blijven functioneren, kan ook de welvaart gevrijwaard worden wat een sleutel is voor de vrijheid. Een goed draaiende economie bouwt mee aan de welvaart, wat de mogelijkheid biedt om vrij te zijn van werkloosheid en sociale onzekerheid. Er zal brood op de plank liggen, ik zal mijn lening kunnen betalen, ik zal werkzekerheid hebben en ik zal mijn kinderen niet belasten met bestaansonzekerheid, omdat ik mijn steentje bijdraag aan de economie die ook de welvaart van ons allemaal ten goede komt. Kortom, de vrijwaring van de pijler gezondheid en de pijler economie staat garant voor de vrijwaring van een specifieke vorm van vrijheid die onlosmakelijk verbonden is met verantwoordelijkheid. Door mijn verantwoordelijkheid te nemen in het volgen van de maatregelen, verstevig ik de gezondheid van mezelf en van anderen en door mijn economische activiteiten, bouw ik mee aan de welvaart van de hele samenleving. In beide gevallen ondersteun ik ook de vrijheid.

Er zijn natuurlijk problemen met de beperking van wat we courant onder de persoonlijke vrijheid verstaan, dat besef ik al te goed. Niet in het minste voor de zwaksten onder ons, de mensen die financiële schade lijden, de armen, de zieken, de eenzamen, enz. Het spreekt voor zich dat een engagement van de sterkste schouders noodzakelijk zal zijn, ook op economisch vlak zoals prof. Paul de Grauwe betoogt. Maar ik denk dat de idee dat mijn persoonlijke vrijheid beperkt wordt in deze zwaarder doorweegt dan de daadwerkelijke beperkingen die worden opgelegd. Natuurlijk is het niet fijn dat de sportclubs dicht zijn of dat ik niet naar bioscoop kan gaan. Alleen hoop ik dat het besef dat deze vrijheid beperkende maatregelen bijdragen tot de vrijwaring en ondersteuning van andere vormen van vrijheid, de lockdown verdraaglijker maakt.

 


zaterdag 26 september 2020

Hoe de Sapiens ook Harari kan overleven…

 


U kan de tekst ook in pdf lezen door hier te klikken...


Hoe de Sapiens ook Harari kan overleven…

 

In zijn boek Sapiens schetst de Israëlische historicus en filosoof Yuval Noah Harari een fascinerend beeld van de wijze waarop de Sapiens de geschiedenis tot hiertoe heeft kunnen domineren. Interessant om weten is dat Harari in een lezing voor Google, de geschiedenis niet definieert als de studie van het verleden, maar wel als de studie van de verandering. De Sapiens kon steeds overleven omdat hij zich aanpaste aan de veranderende situaties, waarvoor hij natuurlijk zelf ten dele mee verantwoordelijk was. De opkomst van de wetenschap en de technologie, de verkleining van de wereld hierdoor, hebben de Sapiens in het zadel gehouden en dreigen hem nu ook te verjagen. Maar, en dit is cruciaal in Harari’s betoog, de Sapiens kon slechts overleven omdat hij telkens opnieuw in staat was een verhaal te creëren waarin hij voldoende kon geloven zodat hij de steeds sneller wordende veranderingen kon incorporeren.

Een van Harari’s stokpaardjes is de relatie tussen de mens en de artificiële intelligentie, waarvan diezelfde mens de auteur is. Op zich, en dit mag benadrukt worden, is artificiële intelligentie niet slecht. Meer dan 95% van de auto-ongevallen is te wijten aan een menselijke fout. De hoeveelheid slachtoffers in het verkeer kan sterk verminderd worden wanneer een zelfrijdende auto de zaken overneemt. Zelfrijdende auto’s kunnen eveneens deelwagens zijn die je van de ene naar de andere bestemming brengen, bijvoorbeeld naar kantoor. Het grote verschil is dat de zelfrijdende auto niet de hele dag werkloos op de parking moet staan. Terwijl je op kantoor bent, kan iemand anders vervoerd worden. Wellicht kan dit leiden tot een drastische vermindering van de hoeveelheid wagens in het verkeer, wat natuurlijk een heel positief effect heeft op het milieu.

Artificiële intelligentie zal, aldus Harari,  in de nabije toekomst meer en meer gekoppeld worden aan biotechnologie. Minuscule nanorobots zullen in staat zijn defecten aan je organen te detecteren, nog voor je er zelf last van hebt. Een kwaadaardige cel kan reeds een alarmsignaal doorsturen naar de behandelende arts, die misschien op duizenden kilometers van je vandaan zit. De arts zal jouw behandeling controleren en laten uitvoeren door een robotarts die zich wel in jouw buurt bevindt. Prachtig natuurlijk. Het probleem is dat de fusie tussen de artificiële intelligentie enerzijds en de biotechnologie anderzijds een meer volmaakte mensensoort kan creëren dan diegene waartoe we nu behoren. De supersnelle en uiterst intelligentie processoren die fuseren met het brein hebben de sputterende, onvolmaakte Sapiëns niet meer nodig. Meer nog, vanuit het principe van Darwin, zal de nieuwe mensensoort zich veel sneller kunnen aanpassen aan de wisselende omstandigheden dan wij, waardoor de kans zeer groot is, aldus Harari, dat een soort die bestaat uit artificiële intelligentie in combinatie met biotechnologie, de Sapiens uiteindelijk zal verdrijven.

Om Harari ten volle te begrijpen, is het belangrijk om stil te staan bij zijn mensbeeld. Harari stelt terecht vast dat hedendaagse computers supersnel beslissingen kunnen nemen op basis van een algoritme dat ze altijd en onvoorwaardelijk volgen. Vanuit zijn reductionistische visie ziet Harari een gelijkaardig proces in de mens. Menselijke emoties, gedragingen en beslissingen zijn het gevolg van biologisch algoritme dat ontstaat vanuit de wisselwerking tussen neuronen in de hersenen. Het is duidelijk dat een machine, geprogrammeerd om bepaalde algoritmen klakkeloos uit te voeren, hierin de mens altijd zal overtreffen. Bovendien zal deze machine een oneindig aantal keren de voorziene taken kunnen uitvoeren, zonder ooit moe te worden, op voorwaarde dat deze machine goed onderhouden wordt, wellicht door een andere machine. Ongetwijfeld begrijpt u de consequenties voor de arbeidsmarkt: buschauffeurs, leerkrachten, boekhouders, artsen, …, allemaal en nog veel meer beroepen die gedeeltelijk of zelfs volledig kunnen worden overgenomen door nooit falende machines. De mens wordt overbodig.

 Ik geloof niet in de reductionistische visie van Harari. De reden hiervoor haal ik, ironisch genoeg, ook bij Harari, al moet gezegd worden dat hij hierin niet origineel is. Vele denkers, onder andere Nietzsche, hebben hier al op gewezen en de religieuze traditie getuigt hiervan. De Sapiens is immers niet alleen in staat om verhalen te creëren, hij is nog meer in staat om in deze verhalen te geloven. Ondanks het feit dat er in de filosofie gesproken wordt over het einde van de grote verhalen, richten mensen hun leven nog steeds in op basis van verhalen, vertaal, ficties. Ficties die, zo wist ook David Hume, helemaal geen fantasietjes zijn, maar fundamenten waarop levens worden gebouwd. Ik geef een voorbeeld. Mensen zijn bereid om een enorm risico te lopen wanneer ze met een ander mens een duurzame relatie willen aangaan. Niet alleen kan zo’n relatie levenslang duren, er kan ook een nageslacht uit voortkomen waarvoor je moet zorgen. Ik spreek nog niet over de financiële gevolgen wanneer je een huis koopt en een lening aangaat. Je doet dit omdat je gelooft in een fictie, namelijk een unieke relatie tussen jou en de ander. Er is geen enkele, sluitende, positief wetenschappelijke verklaring voor de liefde die je voelt en die de fictie van de relatie steeds weer opnieuw kan voeden.

 Het is mijn stelling dat de Sapiens kan overleven, niet alleen vanuit zijn competentie om verhalen te creëren, maar vooral vanuit zijn unieke mogelijkheid om in die verhalen te geloven. Geloven betekent hierbij veel meer dan een voor waar houden. Geloven raakt de diepste fundamenten van onze identiteit. Een machine kan een algoritme volgen. Artificiële intelligentie kan wellicht een krantenartikel schrijven. Mijn vraag is of artificiële intelligentie ooit in staat is een relatie aan te gaan met een ander specimen, vanuit het geloof dat deze relatie constitutief is voor wie hij is. Kan artificiële intelligentie de zinvraag op een gelijkaardige wijze overdenken, vanuit gelijkaardige verhalen en ficties, net zoals de Sapiens dit kan? Ik geloof van niet. Wat ik wel denk is dat er vandaag voldoende aandacht moet zijn voor het verhaal van mensen. Er moet voldoende nagedacht worden over de ficties die aan de grondslag liggen van ons bestaan, ficties die we niet alleen voor waar houden, maar die we ook ten  volle kunnen en willen geloven. Geloven, en dit is cruciaal in mijn betoog, is een trapje hoger in de taxonomie. Het overstijgt het voor waar houden.

Als besluit mag gelden, en daar ben ik het wel eens met Harari, dat filosofische en levensbeschouwelijke inhouden enorm aan belang zullen toenemen nu de fusie tussen artificiële intelligentie en biotechnologie meer en meer een feit wordt. Zeker ook in het onderwijs zal men zich in de toekomst niet meer kunnen veroorloven om levensbeschouwelijke en filosofische vakken stiefmoederlijk te behandelen. Ziehier de ironie. Terwijl velen de opkomende wetenschap en technologie zien als de bedreiging bij uitstek voor de filosofie, blijkt nu dat dit helemaal niet meer waar is. Toch verschil ik fundamenteel van mening met Harari in verband met de gevolgen voor de Sapiens. De mogelijkheid om in verhalen te geloven en deze ficties in het leven te incorporeren, onderscheidt ons, voorlopig althans, van machines en robots, zelfs wanneer deze gekoppeld worden aan biotechnologie. Dat de strijd voor zelfbehoud niet vanzelfsprekend is en zal blijven, staat natuurlijk buiten kijf. Het zal erop aankomen om te blijven zoeken naar en te durven geloven in verhalen die het leven kunnen blijven voeden en die kunnen bijdragen aan zin en betekenis.

 

Zeg nooit, …nooit….

 

 

Abstract

De bekende filosoof Yuval Noah Harari verdedigt de stelling dat de hedendaagse mens in zijn voortbestaan bedreigd zou kunnen worden door een nieuwe, meer volmaakte mensensoort. Deze nieuwe mensensoort ontstaat uit een fusie tussen artificiële intelligentie en biotechnologie. In mijn tekst verdedig ik de stelling dat de unieke gave van de mens om in verhalen te geloven, hem van de ondergang kan redden. Veel leesplezier…


donderdag 25 juni 2020

Academische monitoring als middel tot dialoog en wederzijds begrip



Klik hier om deze tekst in pdf te lezen. 

De discussie rond de praktijktesten heeft een kleine crisis binnenin de schoot van de Vlaamse regering veroorzaakt. Sihame El Kaouakibi sprak over een woordbreuk, terwijl Matthias Diependaele in de televisiestudio van Terzake, de praktijktest naar de prullenmand verwees onder het mom van overheidsbedrog. Academische monitoring, zo heet het vandaag. Men kan zich de vraag stellen of het hier louter gaat over een semantische discussie, wat toch de officiële verklaring van de crisis heette. Ik vraag me werkelijk af op welke manier de academische monitoring dan zal verlopen? Laat me duidelijk zijn: ik ben een tegenstander van praktijktesten zoals ze nu op tafel liggen, omdat ze afbreuk doen aan een belangrijk moreel concept, namelijk eigendom. Bovendien zullen praktijktesten het racisme niet terugdringen. Toch denk ik dat een variant van deze testen, laten we minder beladen van academische monitoring spreken, mogelijk is, mits een belangrijke accentverschuiving. Om mijn stelling te kunnen onderbouwen, maak ik een korte tussenstop bij de notie van eigendom.

Filosofen als de Schotse verlichtingsfilosoof David Hume (1711-1776), tonen aan dat de idee van eigendom cruciaal is in de ontwikkeling van de moraal. Sommige morele deugden zoals goedheid en  moed, ontstaan op een natuurlijke wijze. Andere deugden zoals rechtvaardigheid zijn het resultaat van conventies. Merkwaardig genoeg kan de interactie tussen deze natuurlijke en kunstmatige deugden maar gebeuren tegen de achtergrond van zaken zoals eigendom. Laat ik dit illustreren met een voorbeeld. Veronderstel dat je ’s morgens naar je werk zou vertrekken en dat je op straat wordt aangesproken door iemand die je recht voor de raap vraagt je laptop, jas en schoenen af te staan. Je opponent is sterker, dus kan je niet anders. Onaanvaardbaar natuurlijk. Er heerst een conventie in de samenleving dat je wel degelijk kan spreken over jouw laptop, jouw schoenen en jouw jas. Sta er eens bij stil dat je op geen enkele manier kan bewijzen, op weg naar het kantoor, dat die laptop wel degelijk de jouwe is. Bij uitbreiding beschermt slechts een dossier bij de notaris je eigendomsrechten ten opzichte van het huis waar je enkele decennia voor gewerkt hebt. Het is toch ondenkbaar dat iemand vanavond voor je deur staat en eist dat je vertrekt. Dit huis bevalt me, zo klinkt het, vanaf nu is het van mij.  Eigendom is een zekerheid. Het is een vast punt waarop je kan terugvallen, een onbetwijfelbare garantie. Zelfs wanneer je je huis huurt, kan je in zekere zin spreken over eigendom. Niemand kan je van de ene dag op de andere dwingen je huis te verlaten. Eigendom biedt rust in het leven en zorgt voor de broodnodige structuur in de samenleving. Bovendien hoeft die eigendom zich niet te beperken tot materiële zaken. Denk maar aan intellectuele eigendom of aan de zogenaamde goodwill binnen een bedrijf.

Tijd om over te gaan naar de discussie rond de praktijktesten. Op welke manier, zo vraag ik me af, kan een eigenaar binnen de krijtlijnen van de praktijktesten, iemand weigeren als huurder? Ik verleg de discussie naar de arbeidsmarkt: welke argumenten kan je nog geven om een potentiële werknemer niet aan te nemen? Zeker wanneer er strafrechtelijke consequenties aan de praktijktesten worden verbonden, is er een probleem. Een voorbeeld. Veronderstel dat iemand zou beslissen om spaargeld te investeren in een appartement als opbrengsteigendom. De huurder zal, via de huur, het appartement mee afbetalen. Ongetwijfeld betekent dit een berekend financieel risico voor de verhuurder. Twee huurders dienen zich aan, huurder A en huurder B. Welk argument kan je nog aanhalen om je keuze voor een huurder te rechtvaardigen? Moet je je keuze überhaupt rechtvaardigen? Stel nu dat huurder A iemand is met een vreemd klinkende naam. Als huurder A wordt gekozen, kan dit een antipolitieke reactie opwekken bij huurder B. Een keuze voor  huurder B kan dan weer gezien worden als een vorm van verdoken racisme. U begrijpt onmiddellijk dat bovenstaande casus, gemonitord door een praktijktest, ernstige problemen kan veroorzaken. Wat als de verhuurder veroordeeld wordt voor racisme, omdat de keuze op huurder B valt? Meer nog, als er al sprake zou zijn van racisme, zou dit racisme dan verdwijnen wanneer de verhuurder gepenaliseerd wordt?

Omwille van de ernst van het probleem, vraag ik uw aandacht voor nog een tweede casus.  Een fel begeerde job kent drie sollicitatierondes. Telkens vallen kandidaten af. In de laatste ronde blijven twee kandidaten over. De competenties van deze kandidaten zullen per definitie dicht bij elkaar liggen. De beslissing valt dan omwille van een irrationeel buikgevoel. Welk argument heb je om je uiteindelijke keuze voor een specifieke kandidaat te rechtvaardigen en nogmaals, waarom moet je die keuze rechtvaardigen?

Vlamingen zijn geen volbloed racisten. Maar als iemand vanuit een racistische motivatie een huurder of een sollicitant weigert, zal je dit niet oplossen met een praktijktest zoals die nu op tafel ligt, zeker niet wanneer je strafrechtelijke gevolgen aan de praktijktest verbindt. De reden hiervoor is duidelijk. Zowel in het geval van de verhuurder als in het geval van de bedrijfsleider, voelt de praktijktest als een schending van eigendom aan. De verhuurder investeert zijn spaargeld in zijn eigendom. Wanneer iemand anders al was het maar een milde vorm van beslissingsrecht over die eigendom krijgt, misschien slechts in de perceptie van de eigenaar, creëert dit revolte en ontstaat de neiging om zich te verweren. Als je bedrijfsleider bent, dan ben je in zekere mate eigenaar van je project. Opnieuw is interventie niet gewenst. Bovendien vormt de straf die eventueel wordt uitgesproken naar aanleiding van de praktijktest, geen garantie voor het verdwijnen van mogelijk racisme.

Betekent dit alles het einde van de academische monitoring? Niet noodzakelijk. De sleutel ligt volgens mij bij de principes van restorative justice. Deze vorm van rechtvaardigheid ontstaat wanneer dader en slachtoffer uiteindelijk bij mekaar worden gebracht in dialoog via bemiddeling. Onnodig te zeggen dat dit niet altijd mogelijk is. Bovendien betekent dit niet dat de straf verdwijnt. Veronderstel dat iemand een pand aanbiedt op de huurmarkt. Via academische monitoring blijkt duidelijk dat een potentiële huurder met een vreemd klinkende naam niet wordt uitgenodigd om het pand te bezichtigen. Verhuurder en kandidaat-huurder worden samengebracht voor een dialoog onder begeleiding van een bemiddelaar. No blame is het startpunt, niemand is schuldig.  Eindpunt is herstel van de communicatie tussen de beide partijen. Het spreekt voor zich dat zo’n dialoog veel meer is dan een gesprekje. De inspanningen om tot een goed resultaat te komen, zijn aanzienlijk en vergen heel wat tijd. In het beste geval komt er een dialoog op gang en verdwijnt de racistische motivatie van de verhuurder. Er ontstaat ruimte voor wederzijds begrip en waardering. Dit is in het huidige voorstel rond de praktijktesten helemaal niet gegarandeerd. Duidelijk mag ook zijn dat het lang zal duren voor er een maatschappelijke verandering zal plaatsvinden. Mensen die vandaag, hier en nu, verandering eisen, doen dat vanuit een begrijpelijke, maar emotionele motivatie. Maatschappelijke veranderingen eisen tijd, veel tijd.

Ik sprak in het begin van mijn tekst over een accentverschuiving. In mijn visie, ontleend aan restorative justice, verdwijnt het zwaartepunt van de eigendom naar de dialoog. De verhuurder kan in volle autonomie beslissen aan wie het pand uiteindelijk verhuurd wordt, net zoals de bedrijfsleider zich niet hoeft te verantwoorden voor de uiteindelijke beslissing inzake aanwerving. Het al dan niet ingaan op de vraag naar dialoog, kan dan weer wel strafrechtelijke gevolgen hebben. Bemiddeling weigeren mag gepenaliseerd worden. Ik denk echter, dat er een veel groter maatschappelijk draagvlak is wanneer het gaat over de eis tot dialoog dan over de subtiele aantasting van het eigendomsrecht.

 Foto: Yarle Verbeeck


donderdag 18 juni 2020

Racisme als epifenomeen



Dat de discussie rond racisme vandaag sterk de media domineert, is een open deur intrappen. De dood van George Floyd is ongetwijfeld het vonkje geweest dat de uitslaande brand veroorzaakte. Opnieuw sterke verklaringen van politici, her en der protestacties, actieplannen, mea culpa’s, je kan er niet naast kijken. De discussie rond racisme in de samenleving gaat al jaren mee. Het idee dat het nu allemaal gaat veranderen, evenzeer. De vraag blijft waarom er op het terrein zo weinig beweegt. Ik wil graag één aspect van het antwoord belichten.

In de huidige discussie worden racisme en discriminatie evenwaardig naast mekaar geplaatst. Het een heeft met het ander te maken, maar vormt een volwaardig, apart te bespreken item. Het is mijn stelling dat het verstandiger zou zijn het racisme als een epifenomeen van discriminatie te behandelen, wat niets zal afdoen aan de ernst ervan, maar wel mogelijkheden biedt om er structureel iets aan te doen.

Racisme als epifenomeen betekent dat je racisme gaat bekijken als een speciale vorm van discriminatie, in casu discriminatie op grond van etnie. Maar het hoofdprobleem is discriminatie, en niet racisme. Er bestaan heel wat vormen van discriminatie die ondergesneeuwd blijven in het debat. Ik noem er enkele: discriminatie van oudere werknemers, discriminatie van zogenaamde laaggeschoolden, discriminatie van mensen die op latere leeftijd een academische carrière willen beginnen, discriminatie en uitsluiting op basis van een lichamelijke of geestelijke handicap, discriminatie op basis van je criminele verleden, en ga zo maar door.

In De Afspraak van 8 juni 2020 sprak Sihame El Kaouakibi over de diepe pijn die met racisme gepaard gaat. Ongetwijfeld is dat zo. Maar die diepe pijn wordt ook door de rolstoelgebruiker gevoeld, wanneer die voor de zoveelste keer een onaangepast gebouw wenst te betreden. Die diepe pijn, waar El Kaouakibi het over heeft, leeft ook bij de sommige arbeiders die bijna de helft van hun loon zien verdwijnen in de vorm van huishuur. Wat met de armen, die nooit op vakantie kunnen en die in mensonterende omstandigheden moeten wonen? Wat met mensen die, na hun gevangenisstraf, opnieuw willen beginnen maar nergens een job vinden?

De diepe, aan het hart vretende pijn van uitgesloten en ondergewaardeerd te worden, is de constante voor mensen die met discriminatie geconfronteerd worden. Als we nu maatschappelijk beslissen om alle middelen in te zetten om het racisme te bestrijden, dan blijven weer heel wat mensen met evenveel rechten in de kou staan. En dat gevoel, dat je er alleen voor staat en dat niemand echt inzit met jouw pijn, vormt de ideale voedingsbodem voor antipolitiek. Veronderstel dat iemand die geconfronteerd werd met een sterke vorm van discriminatie op televisie hoort dat alles op alles zal worden gezet om het racisme te bannen, maar tegelijk niets merkt van steun en begrip voor zijn situatie. Onvermijdelijk valt zo iemand in een wij/zij denken: wij blijven in de kou staan, terwijl zij weer worden geholpen.

Als we het racisme op een duurzame manier wensen te bestrijden, dan zal dit enkel maar kunnen vanuit een totaalaanpak. Alle vormen van discriminatie moeten worden erkend en bestreden. Toegegeven, het zal een lange weg zijn. Maar vergeten we niet dat de pijn een gedeelde constante is voor slachtoffers van alle vormen van discriminatie. Willen we een samenleving waarin een collectieve verantwoordelijkheid en burgerzin overheersen, dan zullen we moeten zorgen voor een menswaardig bestaan voor ieder lid van die samenleving. Zolang we dat niet doen, blijft de distinctie tussen ‘wij’ en ‘zij’ bestaan, en zal racisme nooit grondig kunnen worden bestreden.

Foto: Yarle Verbeeck

woensdag 3 juni 2020

All lives matter



Reeds enkele dagen wordt de slagzin ‘Black lives matter’ via allerlei kanalen in de sociale media verspreid. Terecht. Wie kan tegen zo’n evident ware uitspraak zijn? Tevens is ‘Black lives matter’ een correcte en verantwoorde verwijzing naar de dood van George Floyd, waarvan de beelden op ieders netvlies gebrand staan. Bovendien kan dit overlijden niet worden losgekoppeld van de Amerikaanse geschiedenis waarin racisme overduidelijk een rol heeft gespeeld en nog steeds speelt. Toch wil ik in deze tekst een pleidooi houden om de uitspraak ‘Black lives matter’ te verruimen naar ‘Black lives matter, because all lives matter’. Er vindt dan inderdaad een transformatie plaats van de aard van deze uitspraak. Het gaat nu niet alleen meer over het protest tegen de dood van Floyd, maar ook over een protest tegen polarisatie en verdeeldheid in de samenleving, op basis van kleur, geslacht, overtuiging of welk menselijk aspect dan ook.

Laat me beginnen met een eenvoudig voorbeeld. Veronderstel dat je lid bent van een voetbalploeg. Je hebt er een fijn seizoen opzitten en het is vooral de coach die erin geslaagd is om de ploeg dit jaar extra te motiveren. Bovendien waren de trainingen schitterend en kwamen alle aspecten van het voetbal aan bod. Als compliment zeg je dan ook tegen de trainer: “Coach, dit jaar heb je schitterend training gegeven”. “Oei”, antwoordt de coach, “waren de trainingen vorig jaar dan niet goed?”. Dit eenvoudige voorbeeld toont aan dat menselijke antwoorden en interpretaties, gevoed door emoties en context, verantwoordelijk kunnen zijn voor een redeneringsfout. Zeggen dat de trainingen dit jaar goed waren impliceert geenszins dat de trainingen vorig jaar minder goed waren. Het is een uitspraak die op zichzelf kan bestaan.

Bovenvermeld voorbeeld kan je ook toepassen op ‘Black lives matter’. Dit betekent dus niet dat het leven van mensen met een andere huidskleur er niet zou toe doen. In een context waarin de wereld op zoek is naar identiteit, wordt echter vaak een redeneringsfout gemaakt en zal de uitspraak ‘Black lives matter’ bij velen de idee oproepen dat slachtoffers met een andere huidskleur minder belangrijk zijn, wat natuurlijk niet het geval is. Vanuit het besef dat het politieke discours en zeker ook de antipolitiek draait vanuit de zoektocht naar identiteit en de strijd om erkenning, lijkt het me aangewezen om voornoemde uitspraak uit te breiden tot ‘Black lives matter, because all lives matter’. Op die manier integreer je de proteststem tegen de dood van  George Floyd in een ruimere context die de polarisering tegenwerkt en niet in de hand werkt, want, inderdaad, elk mensenleven is belangrijk.

Perceptie is sterk, onvoorspelbaar en wispelturig. Bovendien zoeken mensen naar identiteit, erkenning en sociale rechtvaardigheid. Voor velen is het leven niet eenvoudig en heel wat mensen hebben het idee dat ze in de steek gelaten worden. ‘All lives matter’, het lijkt een evidentie, maar dat is het blijkbaar niet in deze wereld. Ik ben er wel van overtuigd dat wanneer ieder mens vanuit de perceptie kan leven dat hij of zij er werkelijk toe doet, de strijd voor een betere wereld een grotere kans op de overwinning heeft dan wanneer polarisatie blijft bestaan.


Airco in woonzorgcentra: een reactie

Op de website van VRTNWS verscheen een artikel waarin Candice De Windt, CEO van het Vlaams Onafhankelijk Zorgnetwerk (Vlozo), de koepel voor...