donderdag 22 april 2021

De lelie en de vogel

 

Daarom zeg Ik u: Weest niet bezorgd voor uw leven, wat ge zult eten en wat ge zult drinken, en ook niet voor uw lichaam, wat ge zult aantrekken. Is het leven niet meer dan het voedsel en het lichaam niet meer dan de kleding?  26Let eens op de vogels in de lucht: ze zaaien niet en maaien niet en verzamelen niet in schuren, maar uw hemelse Vader voedt ze. Zijt gij dan niet veel meer dan zij?  27Trouwens, wie van u is in staat met al zijn tobben aan zijn levensweg een el toe te voegen?  28En wat maakt gij u zorgen over kleding? Kijkt naar de leliën in het veld: hoe ze groeien. Ze arbeiden noch spinnen.  29Toch zeg Ik u: Zelfs Salomo in al zijn pracht was niet gekleed als een van hen. (Mt. 6,25-29)

In het zesde hoofdstuk van het evangelie van Matteüs roept Jezus zijn leerlingen tot onbezorgdheid op. Hier gaat het niet over een vorm van wereldvreemde naïviteit, in tegendeel. Vanuit een doorgedreven wijsheid over het leven stelt Jezus dat een onbezorgdheid mogelijk is, in de zin van een fundamenteel vertrouwen in God. De tekst uit Matteüs eindigt met een duidelijke boodschap: “Elke dag heeft genoeg aan zijn eigen leed” (Mt. 6,34). Met andere woorden, elke dag vormt een uitdaging op zich, waarin vaak ad rem antwoorden noodzakelijk zijn die helemaal geen wereldvreemdheid toelaten, in tegendeel. Ik wil in wat volgt twee aspecten rond deze tekst belichten, een eerste vanuit de Schotse verlichtingsfilosoof David Hume en een tweede vanuit de Deense denker Søren Kierkegaard.

In 1779 publiceert Hume de Dialogues Concerning Natural Religion (Gesprekken over de natuurlijke godsdienst), een gesprek tussen Demea, Cleanthes en Philo. De drie dialoganten worden in het begin van het werk kort voorgesteld: Demea heeft een orthodox geloof, Cleanthes beschikt over een scherp filosofisch intellect en Philo is in de woorden van Hume ‘Careless’. In de Nederlandse vertaling wordt dit ‘roekeloos’. Naar mijn bescheiden mening zou ‘zorgeloos’ beter zijn. Philo is zorgeloos omdat hij als scepticus, en dat klinkt erg paradoxaal, over een specifiek zorgeloos vertrouwen beschikt. Ergens in het gesprek stelt hij duidelijk dat een filosoof, ondanks een sceptische houding, toch moet leven. Versta, er is een vorm van fundamenteel en existentieel vertrouwen in de werkelijkheid nodig, zelfs onontbeerlijk om te kunnen leven. Hume was een atheïst, Philo naar alle waarschijnlijkheid ook, en toch getuigt Philo (en wellicht ook Hume zelf, door Philo) over de noodzaak van een zorgeloosheid, een diepmenselijk vertrouwen in de werkelijkheid, analoog met wat Jezus via Matteüs vooropstelt.

In 1848 verschijnt Chritstelige Taler (Christelijke toespraken), geschreven door Kierkegaard. Hierin analyseert Kierkegaard voornoemde tekst uit het evangelie van Matteüs. Ik laat Kierkegaard even zelf aan het woord: “De lelie en de vogel zijn namelijk geen heidenen, maar christenen zijn de lelie en de vogel ook niet. […] Om nu niet te oordelen en te veroordelen bedient het evangelie zich van de lelie en de vogel om het heidendom aan het licht te brengen, maar daardoor ook weer aan het licht te brengen wat er van de christen verlangd wordt […] Want de lelie en de vogel oordelen niet, jij moet ook leren van de lelie en de vogel’ (Kierkegaard, 2019:22-23). De lelie en de vogel vormen een neutraal gegeven dat mensen bij mekaar kan brengen. Kierkegaard stelt dat zowel de christen als de heiden nood hebben aan voornoemd basaal, existentieel vertrouwen wat ook door Philo werd vooropgesteld. De christen staat niet gelijk met de lelie en de vogel, weet Kierkegaard. In tegendeel, de christen, maar ook in zijn woorden, de heiden, dienen zich tot de lelie en de vogel te richten. Zij leven immers het broodnodige, zorgeloze, basale, existentiële vertrouwen in het leven voor, zonder hetwelk het leven onmogelijk is.

Waarom vermeld ik Hume en Kierkegaard? Wel, ik geloof dat het vandaag meer dan ooit belangrijk is te zoeken naar dat wat mensen van uiteenlopende levensbeschouwingen verbindt. Ongeacht de levensvisie die je aanhangt, er zijn bezorgdheden, wensen, bekommernissen en dromen die je met mekaar deelt. In een wereld waarin polarisering terrein wint, kunnen de lelie en vogel een zorgeloosheid voorleven die het basaal, existentieel vertrouwen mee helpen herstellen. Een wereld waarin hoop de plaats inneemt van wanhoop, waarin verwijderd wordt wat scheiding brengt en waarin je de ander meer kan leren begrijpen als een echte medemens.

Bron: Kierkegaard, Søren, Christelijke toespraken, Damon: Eindhoven, 2019, 431p.

 

vrijdag 16 april 2021

Waarom de praktische rede nodig is...Kant over de vrije wil

 

Bestaat de vrije wil? En als er zoiets bestaat als een vrije wil, wat betekent vrijheid en wat betekent wil? Stel dat er geen vrije wil zou zijn, betekent dat dan dat alles gedetermineerd is? En hoe vertaalt zich dat in het dagelijks leven? Denk maar aan justitie. Een belangrijk deel van de rechtspraak bestaat er namelijk in om na te gaan in hoeverre iemand echt (on)schuldig is. De zogenaamde verzachtende omstandigheden hebben niet zelden te maken met feiten die buiten de wil van de verdachte zijn gebeurd.

Ik wil slechts één aspectje belichten in deze tekst, namelijk de reden waarom Immanuel Kant de overstap tussen de zuivere rede en de praktische rede noodzakelijk acht. Met Kant moet je altijd opletten. Heel snel wordt het debat erg technisch en beladen met een moeilijk filosofisch jargon. Dit wil ik hier vermijden. Ik ga tot wat ik als de kern van de kwestie beschouw.

Eenvoudig gezegd komt het erop neer dat het voor Kant onmogelijk is om over een volwaardige moraal te spreken, zonder dat er vrijheid is. Als er geen vrije wil is, zou dit betekenen dat je niet in staat bent om vrijwillig en weloverwogen een keuze te maken. Naar het einde van Kants Kritiek van de zuivere rede, meer bepaald in sectie B826 ev., maakt Kant duidelijk dat de inhoudelijke omschrijving van wat vrije wil exact inhoudt, voor de zuivere rede onmogelijk is. Wat is zuivere rede? Zuiver betekent voor Kant dat iets losstaat van een empirische waarneming, versta een proefondervindelijke waarneming. De rede, niet te verwarren met het verstand, is hetgeen de menselijke kennis reguleert. Het verstand redeneert, de rede reguleert, houdt samen, stroomlijnt.

Ik waag me nu aan een citaat. In B826 schrijft Kant: “Als de wil vrij is, betekent dat alleen iets voor de intelligibele oorzaak van ons willen. Want wat de fenomenen betreft van de uitdrukking van die wil, d.w.z. de handelingen: die mogen we volgens een onschendbare basismaxime, zonder welke we de rede niet empirisch kunnen gebruiken, nooit anders verklaren dan alle andere verschijningen in de natuur, namelijk aan de hand van onveranderlijke natuurwetten”. Wat zegt Kant hier? Veronderstel dat de wil vrij is, zo stelt hij, dan betekent dat alleen maar iets voor manier waarop we de wil opvatten, namelijk als vrij. Verder kan er, binnen het debat van de zuivere rede, niets meer gezegd worden. Veronderstel dat iemand een steen door een raam werpt. Je kan veronderstellen dat dit uit vrije wil is gebeurd. Je kan echter op geen enkele manier verklaren wat er is gebeurd. Het oprapen van de steen, het smijten van de steen door het raam, het breken van het glas, dit alles is, puur vanuit het verstand, te verklaren vanuit onveranderlijke natuurwetten.

Als je je nu wil buigen over de schuldvraag, dan verandert het debat drastisch. Het gaat hier immers om een morele kwestie. Kant zal in andere werken, zoals in de Kritiek van de praktische rede, wel tot een morele wet komen waarvan hij vindt dat die wet universeel en standvastig is. Maar moreel handelen, zo blijkt, zal slechts mogelijk zijn vanuit de veronderstelling van een vrije wil onder deze morele wet. Als de menselijke, vrije natuur in symbiose treedt met die morele wil, dan is er, aldus Kant sprake van geluk.

Hoewel de Kritiek van de Zuivere rede  het meest bekende boek is dat Kant heeft geschreven, stelt hij zelf dat er een moment is waarop de overstap naar de praktische rede noodzakelijk is. Een van de redenen waarom dit moet gebeuren is de vrije wil. Hoewel puur verstandelijk de wil evengoed als onvrij kan worden beschouwd, lijkt een moraal voor Kant ondenkbaar zonder de vrijheid, weliswaar onder de koepel van een door de rede vastgestelde morele wet.

Bron: Immanuel Kant, Kritiek van de zuivere rede, ten geleide, vertaling en annotaties Jabik Veenbaas en Willem Visser, Boom: Amsterdam, 2014, 689p.

 

woensdag 7 april 2021

Over splinters en balken

 

Waarom kijkt ge naar de splinter in het oog van uw broeder en slaat ge geen acht op de balk in uw eigen oog? Hoe kunt ge tot uw broeder zeggen: Broeder, laat mij de splinter uit uw oog halen, terwijl ge de balk in uw eigen oog niet opmerkt? Huichelaar, haal eerst die balk uit uw eigen oog, en dan zult ge scherp genoeg zien om de splinter te kunnen verwijderen die in het oog van uw broeder zit (Lucas, 41-42)

De gedachte dat je beter eerst even naar je eigen gebreken kijkt en pas dan die van je broeder aan de kaak stelt, is overduidelijk in dit stukje uit het evangelie van Lucas aanwezig. Er is zelfs geen sprake van de splinter in je eigen oog. Lucas heeft het over een balk, in tegenstelling tot de kleine splinter in het oog van je broeder. Oordeel niet over het leven van de ander, zeker niet over eventuele misstappen of tekorten van je broeder, maar wees bescheiden. Natuurlijk roept deze tekst niet op om onrecht zomaar door de vingers te zien. De Bijbel kent immers ook een broederlijke vermaning.

In ’Wat de liefde doet’, stelt Kierkegaard een interessante interpretatie voor die een zekere nuancering biedt. Hij stelt dat het onmogelijk is om de splinter in het oog van je broeder te zien als er in jouw oog op dat moment geen balk aanwezig is. Mensen die geen balk in hun eigen oog hebben, aanvaarden aldus Kierkegaard het bestaan van de splinter in het oog van de broeder als een menselijke gegevenheid. Meer nog, indien er in jouw eigen oog slechts een splinter aanwezig zou zijn, en geen balk, dan nog zou dit onvoldoende zijn om de splinter in de medemens te herkennen.

Ik probeer dit te verduidelijken. Mensen die vrij zijn van innerlijke wrok, vrij van innerlijke kwetsuren, zijn in staat om naar de ander toe te gaan met een openheid die groot genoeg is om de scherpe kantjes van die ander te aanvaarden als een gegeven dat hoort bij de identiteit van de ander en natuurlijk ook bij je eigen identiteit. De splinters horen bij de condition humaine van eenieder. Laat ik dit vergelijken met een filmscène. In Star Trek V: The Final Frontier, krijgt captain James T. Kirk de kans om bevrijd te worden van al zijn innerlijke pijn, versta zijn splinters, maar hij weigert. ‘I need my pain’, roept hij uit. Het onaf-zijn, de scherpe kantjes van wie we zijn, horen tot onze identiteit. Vergeven betekent dan niet het uitwissen van de splinters, maar het zodanig kaderen van die splinters dat ze de toekomst mogelijk maken. Maar, zo stelt de evangelietekst in de interpretatie van Kierkegaard, dit veronderstelt een zuivering van jezelf. Het aanvaarden van jezelf, het durven erkennen van je mooie en minder mooie kantjes zorgt ervoor dat de splinters in je ogen onmogelijk kunnen uitgroeien tot de nietsontziende balk die op zijn beurt aanleiding geeft tot vergiftiging van de ziel, een vergiftiging die zich focust op de splinters van de ander en niet op de oneindige schoonheid die eenieder heeft.

In de Antichrist verdedigt Nietzsche het beeld van de verlosser die geen conflict opzoekt. Wat mij betreft raakt zijn interpretatie van de Christusfiguur wat Kierkegaard hier bedoelt. De nietzscheaanse Jezus richt zich tot de ander in een openheid die bevrijdend is, niet alleen voor die ander maar ook voor hemzelf. En dat is uiteraard een belangrijk neveneffect. De positieve, hoopvolle houding naar de ander toe, creëert eveneens een zuiver zelf, dat niet geterroriseerd wordt door wrok, wraak en verbittering. Een zelf dat daarentegen hoopvol en liefdevol is naar zichzelf en naar de ander toe.

Bron: Kierkegaard, Soren, ‘Wat de liefde doet’, Damon, vertaling en verklarende noten Lineke Buijs en Andries Visser, met een nawoord van Udo Doedens en Pieter Vos, tweede druk (eerste druk 2007), 2011, 480p.

zaterdag 27 maart 2021

Over de ware liefde die niet kan bedrogen worden

 

Echte liefde, aldus Kierkegaard, is opbouwend en gefundeerd in God. Bijgevolg, zo stelt hij in ‘Wat de liefde doet’, kan echte liefde onmogelijk bedrogen worden. Meer nog, de waarachtig liefdevolle mens kan eveneens niet bedrogen worden. Deze op het eerste gezicht erg naïeve veronderstelling is bij nader inzicht erg hoopvol en opbouwend.

Ware liefde is geworteld in God. Om tot dit inzicht te komen, baseert Kierkegaard zich op het overbekende Hooglied van de liefde, te vinden in de eerste brief van Paulus aan de christenen van Korinthe. De tekst opent met de zin: ‘Al spreek ik met de tongen van engelen en mensen: als ik de liefde niet heb, ben ik een galmend bekken of een schelle cimbaal…’ (1. Kor. 13,1) . Een schelle cimbaal klinkt niet harmonieus samen met andere muziekinstrumenten. Zonder dat de cimbaal geënt is in een muzikaal geheel, zonder dat ze standvastig is, klinkt ze op zijn minst gezegd storend. Als je een cimbaal uit je handen laat vallen, klettert ze tegen de grond. De cimbaal moet geworteld zijn in een liefde die opbouwt, die stapje voor stapje meer volwassen wordt, die het fundament van zin kan uitmaken.

Paulus vervolgt: ‘De liefde is lankmoedig en goedertieren; de liefde is niet afgunstig, zij praalt niet, zij beeldt zich niets in.  Zij geeft niet om de schone schijn, zij zoekt zichzelf niet, zij laat zich niet kwaad maken en rekent het kwade niet aan.  Zij verheugt zich niet over onrecht, maar vindt haar vreugde in de waarheid.  Alles verdraagt zij, alles gelooft zij, alles hoopt zij, alles duldt zij.  De liefde vergaat nimmer’ (1. Kor. 13,4-8). Het is deze tekst die aan de basis ligt van Kierkegaards controversiële overtuiging dat de ware liefdevolle mens onmogelijk kan bedrogen worden. Laat ik zijn stelling aanschouwelijk maken met een voorbeeld.

Een leraar geeft een belangrijke taak op tegen een welbepaalde deadline. Het is de bedoeling dat de leerlingen de taken zelfstandig maken en niet in onderling overleg. Een leerling levert de taak te laat in. Hiervoor heeft hij op het eerste gezicht een valabel excuus. Bovendien is hij niet de enige die te laat is. In een tweede groep is er eveneens een leerling die zich niet aan de uiterste inleverdatum hield. Verschillende mogelijke scenario’s doemen op. In eerste instantie is het perfect mogelijk dat een belangrijk deel van de leerlingen die wel op tijd waren, zaken hebben doorgesluisd naar mekaar. De leerlingen die te laat zijn kunnen eveneens een excuus verzinnen. Het zou kunnen dat er in de klas maar één leerling was die echt zelfstandig heeft gewerkt. En zo zijn er talloze varianten van situaties waarbij de leerkracht voor de gek werd gehouden.

Nu stelt Kierkegaard onomwonden dat de liefdevolle leerkracht niet kan bedrogen worden. Zelfs wanneer alle scenario’s die hierboven werden beschreven waarbij de leerkracht echt wel voor de gek is gehouden, zouden plaats vinden, dan nog, zo stelt de Deense filosoof, kan de leerkracht niet bedrogen worden. Dit heeft te maken met twee belangrijke filosofische veronderstellingen. Ten eerste beschikt de liefdevolle leerkracht over een hoopvolle ingesteldheid. Hij aanziet de medemens als goed, eerlijk en waarachtig. De medemens zal, in Socratische termen, het goede doen, wanneer hij het goede kent (i.e. een existentieel kennen). Dit mensbeeld wordt in hoger beschreven voorbeeld bevestigd in die ene leerling die de taak correct uitvoerde. Dus, en dit is cruciaal, de ziel van de leraar is niet besmet met een achterdochtig, pessimistisch en dus niet liefdevol mensbeeld. Hij gaat er immers vanuit dat de leerling juist zal handelen. Het negatieve, het onwaarachtige, het bedrog en het listige bevinden zich bij de leerling die niet eerlijk is, dus in casu, bij de andere mens.  

Nog steeds kan je Kierkegaard beschuldigen van naïviteit, zeker wanneer het woord de ronde gaat dat de leerkracht in kwestie snel een laatkomer gelooft. Je moet consequent zijn, zo klinkt het, te laat, om welke reden ook, betekent 20% minder punten op het totaal. Stel je nu eens voor dat de leerling oprecht zou zijn geweest in zijn excuus, en dat, omwille van overmacht, de vooropgestelde deadline echt niet kon gehaald worden. Stel bovendien dat de leerkracht, omwille van dura lex, sed lex, consequent 20% minder punten toekent en bovendien ervan overtuigd is dat leerling oprecht is in zijn excuus (de leerkracht houdt zich aan de regels, en die gelden voor iedereen). Wat zou dit dan betekenen? Het betekent voor de leerling dat hij zich in het vervolg niet meer oprecht en waarachtig hoeft te gedragen, want dat levert niets op. Bij een volgende gelegenheid, kopieert hij de taak van een ander, verandert hier en daar een zin en levert op tijd in. Geen puntenverlies, iedereen tevreden. En onze brave, consequente leerkracht dan, die tegen zijn aanvoelen in, want hij weet dat de leerling oprecht is, toch het regeltje volgt en toch de punten in mindering brengt? Wel, zo zou men in de lijn van Kierkegaard kunnen stellen, die leerkracht doet afbreuk aan zijn liefdevolle ziel. Hij slaagt er niet in, uit ware liefde, de regel te laten voor wat hij is en de leerling te geloven,  en dit uit angst om niet meer ernstig genomen te worden. Welnu, angst en slaafse onderwerping aan de regel, vormen een gif voor de liefdevolle ziel en een belangrijke aantasting van het mensbeeld. 

Keren we terug naar Paulus: ‘De liefde is lankmoedig en goedertieren; de liefde is niet afgunstig, zij praalt niet, zij beeldt zich niets in (de leraar houdt zich niet bezig met het overdenken van allerlei scenario’s waarin de leerlingen hem bedriegen).  Zij geeft niet om de schone schijn (de leerkracht ligt er niet wakker van dat sommige leerlingen denken dat hij eenvoudig voor de gek te houden is), zij zoekt zichzelf niet, zij laat zich niet kwaad maken en rekent het kwade niet aan (de leerkracht focust op wat echt belangrijk is. Wraak is niet aan de orde).  Zij verheugt zich niet over onrecht (er is geen zelfgenoegzaamheid nu de leerling gestraft wordt), maar vindt haar vreugde in de waarheid (de overtuiging dat de liefde het belangrijkste is, het hoopvolle mensbeeld, God). 

Er ontbreekt nog een laatste schakel in de redenering. Ik verwees er al naar in de hoger beschreven toepassing op het Hooglied: de liefde verheugt zich in God. God, het eeuwige, het overkoepelende, vormt, zo stelt Kierkegaard, de garantie dat de leerkracht, die zich misschien in aardse termen gruwelijk heeft laten bedriegen, in het overkoepelende, eeuwige verhaal van Gods droom niet kan bedrogen worden. Hij kan niet bedrogen worden, omdat zijn liefdevolle instelling onderdeel is van het Rijk Gods waarin de liefde het allerhoogste is. Luister even mee naar het prachtige einde van het Hooglied: ‘Nu echter blijven geloof, hoop en liefde, de grote drie; maar de liefde is de grootste’ (1. Kor. 13,13). De leerkracht gelooft in de waarachtigheid van de medemens. Dit geloof draagt hij via de liefde uit, op zoveel mogelijk momenten van zijn leven (niemand is perfect uiteraard). Maar dit alles staat onder de auspiciën van een goddelijke liefde die nooit vergaat en die de garantie is dat het levensproject van de leraar ertoe doet en nooit verloren kan gaan. De liefde is immers altijd en overal de grootste, omdat ze de beste en meest nauwkeurige benadering vormt van het Rijk Gods.

Graag sluit ik af door te zeggen dat het voorbeeld van de leerkracht louter om pedagogische redenen werd ingevoerd. Ik maak hier geen enkele vooronderstelling naar de ingesteldheid van leerkrachten of leerlingen toe (je moet natuurlijk niet iedereen, altijd zomaar geloven 😀 ). Het had evengoed een ander voorbeeld kunnen zijn. Maar, en dat is waar, voorbeelden kennen hun tekorten en hiaten. Het is daarom dat de beroemde filosoof Immanuel Kant naar eigen zeggen zo weinig mogelijk voorbeelden heeft gebruikt in zijn eerste Kritiek. Het boek zou gewoon te dik geworden zijn (Kants fijne humor, natuurlijk). Wat er ook van zij, Kierkegaard breekt hier een lans voor een hoopvolle, maar vooral ook liefdevolle ingesteldheid. Voor een liefde met eeuwigheidswaarde. Een liefde als antidotum voor de achterdocht en vooral voor het gebrek aan existentieel vertrouwen waaronder zovelen gebukt gaan. De liefde, zo stelt Paulus, vergaat nimmer, en het is juist omwille van die reden dat de waarachtig liefdevolle mens, nooit kan bedrogen worden.


Bron: Kierkegaard, Soren, ‘Wat de liefde doet’, Damon, vertaling en verklarende noten Lineke Buijs en Andries Visser, met een nawoord van Udo Doedens en Pieter Vos, tweede druk (eerste druk 2007), 2011, 480p.

zondag 28 februari 2021

De driehoek en de liefde

 

Zoals ik reeds vroeger aanhaalde, stelt Kierkegaard in ‘Wat de liefde doet’, dat de liefde slechts dan volwaardig is wanneer ze in termen van plicht wordt beleefd. En hij gaat nog verder. Kierkegaard poneert de merkwaardige stelling dat er pas van ware liefde kan gesproken worden wanneer er een driehoeksverhouding optreedt. De drie polen zijn dan de twee geliefden en God. Laat je God uit de vergelijking weg, dan is er geen sprake meer van ware liefde. Dit komt zelfs voor de meest welwillende gelovige op zijn minst gezegd merkwaardig over. Stel je een romantisch etentje voor met je partner…en ja, op de extra stoel zit… God.

Het spreekt voor zich dat er hier sprake is van een zekere filosofische spitsvondigheid. Vooreerst wijs ik erop dat Kierkegaard zich inschrijft in de ruimere filosofische traditie waarin gelovige filosofen proberen via de rede tot God en het geloof te komen. Denk aan Thomas Van Aquino en Levinas bijvoorbeeld. Gelovigen benoemen God immers tot de bron van liefde bij uitstek, de leverancier van de aardse liefde zeg maar. Vergelijk met de zon, de bron van het licht die alle licht op aarde voorziet.

Terug naar Kierkegaard. Ten eerste is het misleidend, verleidend maar ook verkeerd om God altijd en uitsluitend als een persoon te zien. God kan als persoon worden opgevat, er kan een persoonlijke relatie met God optreden, maar God is altijd anders dan wordt opgevat. Er kan immers geen beeld van hem worden gemaakt, zo lees je in de Bijbel. God is daarom niet per definitie de derde persoon aan de tafel van de geliefden. Allegorisch opgevat is God de bron van de liefde, datgene wat de liefde tussen de mensen aanwakkert en in stand houdt. Denk eraan, God is in termen van Kierkegaard ook de personificatie van de plicht tussen de geliefden, de plicht die duurzaamheid in de relatie garandeert. Misschien in termen van Thomas Van Aquino, die zijn vijf wegen naar God telkens eindigt door te zeggen…dat noemen we God, dat definiëren we als God, nooit zegt hij, dat is God.

Ten tweede schrijft Kierkegaard het volgende: ‘Liefde is een zaak van het geweten, en is dan ook geen zaak van aantrekkingskracht en genegenheid, van het gevoel, of een zaak van verstandelijke berekening’ (Kierkegaard, 2011:159). Hij zegt niet dat er geen gevoelens meespelen in de liefde, dat niet. Wat hij wel doet, is telkens opnieuw de nadruk leggen op het langdurige engagement van de liefde, soms uitgedrukt in de plicht, maar nu ook in het geweten. Met andere woorden, de connectie met God staat garant voor de broodnodige morele component die onontbeerlijk is wil de liefde groeien tot het fundament waarop je een leven kan bouwen. God staat dan voor duurzaamheid en moreel engagement. God is de personificatie, het garantiecertificaat zou ik kunnen zeggen, voor een liefde waarop je een toekomst kan bouwen met verregaande beslissingen (wel of geen kinderen, huisje bouwen, er zijn voor de ander wanneer die ziek wordt,…).

Ik geef grif toe dat het geschrift van Kierkegaard over de liefde de wenkbrauwen doet fronsen. Een interessante vraag die je zou kunnen stellen, vertrekt vanuit het perspectief van de atheïst. Wat, zou die atheïst kunnen vragen, als ik die verbindende, morele component in mijn liefdesrelatie niet God wil noemen? Zeer terechte vraag, uiteraard. En nog, op welke manier zou de persoon Soren Kierkegaard zien naar atheïstisch koppel dat verklaart de ware liefde te beleven? Ook dat is interessant om over na te denken, want zelfs indien je God volledig spiritueel zou opvatten, dan nog blijft de vraag of Kierkegaard dit evenwaardig zou achten met een theïstische beleving.

 

Bron: Kierkegaard, Soren, ‘Wat de liefde doet’, Damon, vertaling en verklarende noten Lineke Buijs en Andries Visser, met een nawoord van Udo Doedens en Pieter Vos, tweede druk (eerste druk 2007), 2011, 480p.

zondag 21 februari 2021

Liefde en de plicht

 

In ‘Wat de liefde doet’ uit 1847 stelt Kierkegaard dat de liefde slechts dan tot volle rijpheid is gekomen, indien ze het karakter aanneemt van een plicht. Dit klinkt in onze oren op zijn minst verdacht, zeker in de individualistische tijd waarin we leven.  Al snel doemt het beeld van het belerende vingertje op, symbool van een externe bron die haar wil oplegt.

Dat is niet de plicht waar Kierkegaard het over heeft. De plicht is nodig om een eeuwig karakter aan de liefde toe te kennen, een karakter dat zo sterk is dat het de natuurlijke dood kan overleven. De liefde wordt dan eeuwig.

Hoe gaat dit in zijn werk? Laten we een concreet voorbeeld geven van een koppel dat nog maar net samen is. Verliefdheid domineert en de liefde tussen hen zoekt naar standvastigheid, naar verankering. Deze radicaliteit (radix is Latijn voor wortel) komt stap voor stap wanneer de prille liefde wordt geconfronteerd met het leven. Dit leven kent haar mooie momenten, maar slaat soms ook genadeloos toe. Na verloop van tijd kent het koppel een liefde waarop kan gebouwd worden, een liefde die zekerheid biedt, die een thuis is, een veilige haven in de baai aan de soms echt wel woelige zee.

Ik concretiseer. Veronderstel dat één van beide partners een moeilijke periode doormaakt omwille van een persoonlijke tegenslag zoals ziekte of verlies van werk. De andere partner voelt het als een evidentie, maar zeker ook als een plicht, om de ander bij te staan, ook wanneer het proces dat leidt tot herstel traag verloopt en soms een stapje terug kent. De plicht waar hiervan sprake kan op dat punt vergeleken worden met de kantiaanse plicht. Volgens Kant wordt het summum van het morele leven bereikt wanneer de morele plicht samenvalt met de menselijke natuur. Met andere woorden, de plicht die de ene partner de andere doet bijstaan, voelt aan als een natuurlijke evidentie, eigen aan de relatie die de partners hebben, maar is in feite een vorm van plichtsbesef, een niet anders kunnen, dat ontstaan is in het proces van een liefde die volwassen werd.

Omdat de liefde nu als plicht wordt aangevoeld, wordt ze een sterk fundament, zo sterk zelfs dat ze een eeuwigheidskarakter krijgt. Hierdoor zal de liefde de natuurlijke dood te slim af zijn. De mens is tijdelijk, dat is waar, maar de liefde is eeuwig, aldus Kierkegaard. Onnodig te zeggen dat Kierkegaard hiermee een filosofische onderbouw geeft aan een christelijke, paulinische gedachte die de liefde als de grootste aanziet. In de brief aan de christenen van Korinthe, klinkt de overbekende strofe immers: “…De liefde vergaat nimmer. De gave der profetie zal verdwijnen, tongen zullen verstommen, de kennis zal een einde nemen.  Want ons kennen is stukwerk en stukwerk ons profeteren.  Maar wanneer het volmaakte komt, heeft het onvolmaakte afgedaan” (1  Kor 13).

 

zaterdag 20 februari 2021

De actrice en de zwaarte

 




In “De crisis en een crisis in het leven van een actrice” vertelt Nicolaus Notabene, pseudoniem van Kierkegaard, het verhaal van een actrice die als zestienjarige op een voortreffelijke wijze de rol van Julia neerzette in Schakespeares overbekende toneelstuk. Notabene noemt haar niet bij naam, maar volgens Paul Cruysberghs, zou het gaan over Johanne Luise Heiberg (foto). In 1847 nam voornoemde actrice de rol opnieuw voor haar rekening, ze was toen vierendertig jaar oud. Kierkegaard analyseert de reacties van het publiek, zeker nu een oudere actrice een rol herneemt die ze als tiener zo uitmuntend neerzette. Het publiek ziet een oudere actrice, bekleedt met een esthetische jeugdigheid, een rijpheid die haar opnieuw jong, zelfs tijdloos maakt. 

In het volle betoog wijdt Notabene uit over de rol van de zwaarte en de angst. Hij hekelt de idee dat professionele artiesten, bij uitbreiding ook kunstenaars in het algemeen, geen angst zouden hebben. De toeschouwer ziet immers iemand op het toneel die volledig in haar element lijkt te zijn, iemand die volledig vergroeid is, samenvalt met het personage dat ze neerzet. Niets is minder waard, aldus Notabene, ’s avonds in de eenzaamheid van haar kamers, overvalt de actrice de diepe, quasi existentiële angst die op het toneel verdwenen lijkt te zijn. De interessante stelling van Notabene bestaat erin dat de zwaarte nodig is, wil de actrice ten volle kunnen zijn wie ze is. Zwaarte is hier nodig om de inherente kracht van de kunstenaar tot ontplooiing te laten komen, daar die zwaarte in verhouding staat tot de grote innerlijke kracht die iemand kan dragen.

Dit alles deed me toch terugdenken aan de kameel die voorkomt in Zarathustra’s redevoering van de drie gedaanteverwisselingen. Voornoemde kameel buigt zich gewillig voorover om zich met zwaarte te doen beladen. Zarathustra voorziet een gedaanteverwisseling van kameel tot leeuw en tenslotte van leeuw tot kind. De leeuw vernietigt de zwaarte, waarna het kind spelenderwijs en lichtvoetig door het leven kan gaan. Vergeten we echter niet dat het kind opnieuw kameel zal worden wanneer het zich in een specifieke en concrete situatie van het leven bevindt of begeeft. Het is het vermogen van krachtige mensen, aldus Notabene, om de angst toe te laten wanneer ze geen kwaad kan doen. Je kan de angst immers niet volkomen beteugelen, iedereen voelt zich soms wel eens angstig. Maar ik denk dat het hier nog verder gaat dan dat. Wat met mensen die een existentiële angst ervaren ten gevolge van een psychische aandoening, zoals burnout of depressie. De literatuur wijst erop dat burnouts niet zelden voorkomen bij krachtige, ondernemende mensen. De ideeën van Notabene in het achterhoofd zal het erop aankomen om de angst te leren kanaliseren en te leren transfigureren (een begrip dat Notabene ook vermeldt), zodat ze als brandstof kan dienen die, gevoed door de zwaarte van het bestaan, kan resulteren in een sterke levenskracht.

Nosce te ipsum

 

Soren Kierkegaard, Nicolaus Notabene, Inter et Inter, Procul, Voorwoorden, De crisis, De heer Phister, vertaling door Frits Florin en Annelies van Hees, van een nawoord voorzien door Paul Cruysberghs, Deel 13 van de Nederlandse Soren Kierkegaard Werken, Eindhoven: Damon, 2018 (oorspronkelijke uitgave 1848)

Bron afbeelding: https://en.wikipedia.org/wiki/Johanne_Luise_Heiberg


Airco in woonzorgcentra: een reactie

Op de website van VRTNWS verscheen een artikel waarin Candice De Windt, CEO van het Vlaams Onafhankelijk Zorgnetwerk (Vlozo), de koepel voor...